Zelf-ontgroening in de Alpen

Saint Sorlin d'Arves. Het is belangrijk om nu en dan tegen je gewoonten en behoeftes in te gaan. Daarom landde ik op een ochtend in Genève, met in mijn computertas een briefje met de woorden “Saint Sorlin d'Arves.'

Je kent jezelf een aantal eigenschappen en voorkeuren toe. Vaak met geen andere reden dan dat het onpraktisch is elke week met nieuwe eigenschappen aan te komen zetten. De noodzaak van identiteit is vooral van dramaturgische aard.

Het briefje met de woorden “Saint Sorlin d'Arves' was bedoeld voor de taxichauffeur, als hij me niet zou verstaan.

Lang heb ik gedacht dat ik behoefte heb aan privacy. Je kunt ook ophouden dat te denken.

Het briefje kwam van pas. De taxichauffeur die een Spaanse krant las, had nog nooit van Saint Sorlin d'Arves gehoord. Hij bestudeerde het papiertje met een diepe ernst en belde toen zijn vrouw.

Er kleven ontegenzeglijk voordelen aan een badkamer die met niemand wordt gedeeld.

De chauffeur had de wegenkaart van Frankrijk in zijn huis laten liggen, maar zijn vrouw kon goed kaartlezen en telefonisch zou ze ons leiden. Vooruitlopend hierop begon hij er alvast mee naar de Franse grens te rijden. “Wat ga je eigenlijk doen in Saint Sorlin d'Arves?“

De naam van het dorp had intussen een religieuze bijklank gekregen. Een bedevaartsoord waar je heengaat om te genezen.

Op een dag valt het niet langer te ontkennen: de ziekte ben je zelf.

“Ik ga snowboarden“, zei ik.

“Waar is je snowboard?“

“Dat heeft een vriendin alvast naar Saint Sorlin d'Arves gebracht.“

Wat is er tegen genezing? En wie zijn identiteit flexibel ziet, zeg maar als een huurauto, kan nauwelijks gekwetst worden. Bij wie hoort hij? Bij hen die kwetsen, of bij hen die gekwetst worden? Hij kiest elke dag een nieuwe bestemming.

“Kun je het goed, snowboarden?“

Ik had de chauffeur niet het hele verhaal verteld. Het snowboard was een detail. Ik zou een chalet gaan delen met een elftal studenten. Nu heb ik van mijn leven nog nooit een voet gezet in een chalet, laat staan dat ik bereid zou zijn er een te delen met elf studenten.

Voorbij de Franse grens ging de chauffeur steeds zenuwachtiger met zijn vrouw telefoneren. Er viel natte sneeuw.

Men had mij verteld dat ik één dag de tijd zou krijgen mezelf te ontgroenen. Daarna zou ik ontgroend worden. Als je iets doet moet je het goed doen.

Je wordt niet voor niets vijfendertig. Tijd voor een drastische maatregel. De verwerping van eigen mankementen die men voorheen “ik' noemde. Niets anders dan dat is de zelf-ontgroening.

Maar al met al zat ik nu twee uur in de auto van de chauffeur zonder kaart. De Italiaanse grens naderde. Wat ik ook wist over Saint Sorlin d'Arves, in Italië lag het niet.

Ik tikte op de schouder van de chauffeur. “Laten we vragen waar het precies is“, zei ik, “we zijn bijna in Italië.“

Aan een dame die tol incasseerde vroeg de chauffeur waar we heen moesten.

Terug moesten we. Kilometers terug.

Ik heb geen smetvrees, maar wel een lichte voorkeur voor een schoon en goed geoutilleerd toilet. Maakt de wc werkelijk integraal deel uit van de identiteit? Wie zichzelf ombuigt kan ook zijn stoelgang ombuigen.

Wij hadden de snelweg verlaten. Met doodsverachting reed hij over een slecht onderhouden bergweg.

Rond het middaguur arriveerden wij in Saint Sorlin d'Arves. “Je bent precies op tijd voor de lunch“, zei de chauffeur.

Van tevoren had ik te horen gekregen dat het chalet zich aan het eind van het dorp bevond en het dorp bestond uit één weg. Moeilijk kon het niet zijn.

En inderdaad toen het dorp ophield, hield de chauffeur het voor gezien. Hij zette mij en mijn koffer uit de auto. “De bergen zijn mooi“, zei hij nog, maar misschien was dat cynisme. Of ironie.

Ik keek om me heen. Nergens een mens te bekennen. Wel een bouwsel dat kennelijk een chalet was. En dat misschien in de strikte zin van het woord daadwerkelijk een chalet was, als je het beschouwt als een bouwsel in de bergen dat vaag de suggestie van hout oproept.

Ik pakte mijn telefoon en belde de vriendin. “Ik ben er“, zei ik.

Niet veel later kwam ze tevoorschijn, als een veulen huppelde ze door de sneeuw.

“We moeten drie trappen omhoog“, zei ze.

De binnenkant van het chalet deed de laatste associaties met de bergen verdwijnen.

Eind jaren tachtig woonden twee vrienden van mij, Ood en Martijn, in Florijn 945 in de Bijlmermeer.

Zij waren in een hopeloos gevecht verwikkeld met kakkerlakken. Een verdieping lager werden illegale abortussen uitgevoerd. Althans die indruk had men wanneer men naar de vuilniszakken keek die opengebarsten in het trappenhuis lagen.

In het chalet te Saint Sorlin d'Arves was een identiek trappenhuis. De pittige geur van de illegale abortus. Maar daarvoor was ik gekomen. Voor iets nieuws, iets anders.

“Ik ben zo blij dat ik er ben“, zei ik tegen de vriendin.

Het appartement was vrijwel zo pittig als het trappenhuis. Wel klein voor twaalf mensen. Er hingen kleren te drogen waarin flink gezweet was.

“Hier slapen wij“, zei de vriendin.

Onze kamer was een hok met een matras op de grond. Er was zelfs een kast in het hok en een klein raam.

“De anderen zijn op de piste“, zei ze, “dus laten we even gaan liggen. Voor ze thuiskomen.“

Ik kleedde mij zo snel mogelijk uit waarbij ik trachtte te vermijden in plasjes smeltwater te gaan staan. Maar dat was onmogelijk, overal was smeltwater. Ik had de indruk dat het onder het matras vandaan kwam.

Langzaam werd ik gelukkiger.

Men hoeft alleen maar de oude, vertrouwde concepten los te laten om zich te verheugen op zoiets simpels als de relatief droge bovenkant van een matras.

Een warm lichaam krijgt in deze context een andere betekenis. Het is niet langer een luxe, het warme lichaam van de ander, veeleer slaapzak, deken en handdoek tegelijk.

Om vijf uur kwamen de anderen van de piste.

Ik stelde mij voor, lichtte nog eens mondeling toe wat ik al schriftelijk had aangekondigd. Dat ik mij geheel zou overgeven aan lokale riten en zeden. Maar dat ik graag één dag wilde krijgen om mezelf ontgroenen. Daarna kon de groep zijn gang gaan.

De jeugd mocht zich op mij uitleven als een wilde hond.

Het begon te schemeren.

In de woonkamer die ook dienst deed als washok, keuken, slaapkamer, kleedkamer, klerenkast, bergruimte en schoonmaakhok, speelden wij een kaartspel. Een van de regels was dat men tijdens het leggen van een kaart kleren van de buurman aantrok. Hoe plezierig is het alle oude zekerheden te laten varen.

Een onderbroek van een ander is niet vies, je kunt er met gemak een avond in rondlopen. Er bestaat slechts weinig hygiëne die wetenschappelijk gezien noodzakelijk is. Dat was de eerste les van Saint Sorlin d'Arves.

Voor negentig procent heb ik mijzelf ontgroend, maar er zijn altijd dingen die je niet kunt. Je kunt bijvoorbeeld niet op jezelf gaan zitten. Helaas.

De laatste avond van mijn verblijf werd ik met matras en al omgedraaid. Vervolgens namen vijf academici plaats op dat matras. Voor de goede orde, ik lag eronder. In een plasje smeltwater. En er werd een vrolijk liedje gezongen. Dit heet “keren'.

Ik heb ontdekt wat saamhorigheid is en nu ik weet wat het is ga ik er voorlopig mee door. Dit mag worden opgevat als waarschuwing.

Mijn verhaal kan niet worden beëindigd zonder de vijf gruwelijkste woorden van Saint Sorlin d'Arves te noemen, zonder welke eigenlijk niets begrepen kan worden van de zelf-ontgroener. De Apocalyps heeft een naam, en een adres: Bar La Grotte du Yeti.

Nog één keer: Bar La Grotte du Yeti.