Wilt u de beperkte oorlog?

De “mismatch' tussen politieke wil en militaire inzet van het westen, gaf de deze week overleden dictator Milosevic op de Balkan lange tijd vrij spel. Een Britse generaal legt zijn vinger op de zere plek in een baanbrekend boek.

Rupert Smith Foto Reuters General Sir Rupert Smith, Deputy Supreme Allied Commander Europe inspects the parade during the passing out ceremony of the Sovereign's Parade December 10. ++DIGITAL++ REUTERS

The Utility of Force ligt nog niet zo lang in de schappen, maar het is al een standaardwerk. Het stelt veel van wat er sinds Vom Kriege van Carl von Clausewitz over de kunst van het oorlogvoeren is verschenen in de schaduw, met uitzondering wellicht van Transformation of War, het magnum opus van de Israelische historicus Martin van Creveld. Zoals Clausewitz baanbrekend was in zijn theorie van de absolute oorlog, waarbij alle capaciteiten van de staat worden gemobiliseerd om een totale overwinning op de tegenstander te behalen, zo is Smith nu baanbrekend in zijn theorie van de beperkte oorlog. Daarbij staat militair geweld ten dienste van duidelijke, afgebakende politieke doelstellingen, zonder dat dit automatisch uitmondt in een remmingsloze escalatie.

Op basis van de Napoleontische oorlogen ging Clausewitz aanvankelijk uit van de redenering dat oorlogen altijd worden gevoerd om de tegenstander volledig en definitief te verslaan - hij sprak over Niederwerfung. Op latere leeftijd, nadat hij de geschiedenis van oorlogvoering van voor de tijd van Napoleon beter had bestudeerd, realiseerde hij zich dat hij een denkfout had gemaakt: oorlog hoeft niet per definitie gevoerd te worden om de tegenstander volledig weerloos te maken, maar kan ook gevoerd worden ter verwezenlijking van beperkte doelstellingen.

Om die reden herschreef hij het eerste hoofdstuk van Vom Kriege. Daarin staat zijn beroemde uitspraak dat oorlog een voortzetting is van politiek met andere middelen. Het probleem waar hij in de uitwerking mee kampte, is dat hij niet in zag hoe zelfs dan absolute oorlog kon worden voorkomen. Ook al hadden de strijdende partijen beperkte doelstellingen, toch zouden zij onherroepelijk in een escalatiespiraal terechtkomen die pas kon eindigen met een totale overwinning van de een op de ander. Eigenlijk associëren wij allemaal het woord oorlog eigenlijk nog altijd met de absolute oorlog van Clausewitz, maar dan zonder diens kanttekeningen. Zo liet Colin Powell als hoogste Amerikaanse militair in 1992 in een interview optekenen: ,,Zodra ze tegen me zeggen dat het [doel van militair optreden] beperkt is, betekent het dat het hun niet interesseert of je een resultaat boekt of niet.'

Miljoenenlegers

Smith gaat verder op de weg die Clausewitz is ingeslagen. Zijn radicale these luidt dat oorlog in de klassieke betekenis van het woord niet meer bestaat. De wederzijdse nucleaire afschrikking heeft de absolute of “industriële' oorlog ontdaan van iedere logica. Waar vindt men nog miljoenenlegers die zich geconcentreerd opstellen? En wat voor zin heeft het om te vernietigen wat men wil bezitten of controleren, of op het spel te zetten wat men wil verdedigen en beschermen?

Smith vervangt de term industriële oorlog door oorlog “temidden van de bevolking', waarbij de tegenstander zowel vijand als onderhandelingspartner is. In zijn nieuwe paradigma is de militaire strijd niet verdwenen, maar de oorlog als een kolossale, beslissende gebeurtenis in een internationaal dispuut, als materiële krachtmeting en als voorbode van een duurzame, door de overwinnaar opgelegde vrede - die oorlog bestaat niet meer.

Wij zijn beland in een tijd van grensoverschrijdende, langdurige confrontaties, waarin niet de materiële krachtmeting, maar de botsing van de wil doorslaggevend is. Tanks vernietigen is daarbij minder belangrijk dan het bewerkstelligen van een gedragsverandering bij de vijand. Massaverliezen zijn niet meer acceptabel als prijs voor de totale overwinning. De eigen militairen dienen zo heelhuids mogelijk weer thuis te komen. Vijandige landen zijn er niet om te veroveren, maar om een ander bestuur te bewerkstelligen. Burgers zijn er niet om af te slachten, maar moeten voor bepaalde politieke doelstellingen worden gewonnen. De vrede kan niet worden opgelegd, waarna een snel vertrek mogelijk is. Hoogstens kan een situatie tot stand worden gebracht, die bevorderlijk is voor een politieke oplossing en die, om te beklijven, ook in het belang van de tegenstander moet zijn. Men kan vanzelfsprekend proberen de militaire aanwezigheid zoveel mogelijk in de tijd te beperken, maar hoe meer “haast' je uitstraalt, hoe minder je in staat bent de wil van de tegenstander te beïnvloeden.

Het verabsoluteren van oorlog, in de geest van Clausewitz, heeft tot gevolg gehad dat democratische samenlevingen niet helder de samenhang zien tussen oorlog en politiek, maar die twee juist van elkaar loskoppelen. Het adagium van de Pruisische generaal Moltke, dat de politiek ophoudt zodra de oorlog begint, is in wezen ook het onze. Amerikaanse leiders zeiden in 1990, nadat Saddam Hussein Koeweit had bezet, dat de internationale coalitie “een absolute, totale overwinning' nastreefde. Het politieke doel bleek zich vervolgens echter te beperken tot de bevrijding van Koeweit. Een logisch verband tussen de politieke context en de militaire uitvoering ontbrak. De Shi-ieten in het zuiden van Irak, aangemoedigd door de Amerikanen, tegen Saddam Hussein in opstand gekomen in de verwachting spoedig te worden bijgestaan door coalitietroepen. Zoals bekend werd die opstand door Saddam bloedig neergeslagen. Smith beschouwt de eerste Golfoorlog tegen Irak, ondanks de tactisch-operationele overwinning, als een politiek-strategische mislukking. Saddam Hussein werd immers niet tot gedragsverandering gedwongen, zijn wil werd niet beïnvloed; met de tweede oorlog tegen Irak als gevolg.

Smith kritiseert ook de voorbereiding van de Amerikaans-Britse inval in Irak in 2003. Wie een democratische regering tot stand wil brengen, moet zich bij het bepalen van zijn strategie en tactiek laten leiden door de vraag hoe men de bevolking van Irak voor dat politieke doel kan winnen. De vraag hoe het reguliere Iraakse leger in een Blitzkrieg te verslaan is van secundair belang. In werkelijkheid verliep de prioriteitstelling precies andersom.

Contra-guerrilla

Smith geeft als voorbeeld van een succesvolle strijd binnen de door hem geformuleerde uitgangspunten, de Britse contra-guerrilla tegen Maleisisch-Chinese communisten na de Tweede Wereldoorlog. De Britten wonnen omdat militaire tactiek, economische lotsverbetering en een duidelijk politiek perspectief (onafhankelijkheid mits niet communistisch) tezamen een coherent pakket vormden. De communistische strijders verloren de steun van de bevolking en moesten de strijd opgeven. Een ander voorbeeld is de manier waarop de Britten zijn omgegaan met Noord-Ierland en de IRA. Londen had de IRA in militair opzicht kunnen verslaan, maar zag hier van af, omdat daarmee de actieve steun van de katholieke bevolking voor de IRA juist zou toenemen. Door de IRA operationeel te houden, ook al leidde dit tot terreurdaden, nam de steun van de katholieke bevolking voor voortzetting van de terreur geleidelijk af en moest het leiderschap naar de onderhandelingstafel.

De vraag die blijft hangen is of de absolute, industriële oorlog werkelijk zo ondenkbaar is geworden als Smith de lezer wil doen geloven. Kan het conflict tussen India en Pakistan, of tussen China en Taiwan, werkelijk niet meer tot een “klassieke oorlog' leiden? Hoe kunnen we zeker weten dat niet iemand, ergens, ooit op de knop zal drukken? Misschien kan Smith met zijn logisch brein niet genoeg begrip opbrengen voor de minder logische breinen van anderen.

Smith houdt ons een belangrijke spiegel voor. De oorlogen in Korea en Vietnam, de politionele acties in Indonesië, de vredesmissies in voormalig Joegoslavië; het waren allemaal beperkte oorlogen, met beperkte doelstellingen. De uitzondering vormde Generaal MacArthur die tijdens de Korea-oorlog voorstelde China met atoomwapens aan te vallen. Zijn idee van escalatie werd door Washington begrijpelijkerwijs niet overgenomen. Toch willen we vaak niet echt toegeven dat het hier om oorlogen met een duidelijke ingeperkte doelstelling gaat. Die mismatch kan tragische gevolgen hebben. “Srebrenica' was mede het resultaat van de oneerlijkheid van de leden van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties over de bereidheid de levens van de eigen militairen te riskeren voor beperkte politieke doeleinden. En dat is waar het nieuwe paradigma van de staalharde Smith ook een morele component krijgt. Formuleer een politiek doel dat militair haalbaar is - en omgekeerd.

Militaire strategie kan niet alleen afwachtend zijn. Het heeft geen zin om een kasteel met stevige muren en een diepe slotgracht te bouwen, als je daarin voortdurend wordt belegerd. Daarom moeten wij, en dit is een kernpunt voor Smith, onze internationale omgeving voortdurend op een voor de democratische wereld zo gunstig mogelijke manier beïnvloeden. Dat die internationale omgeving zich door de globalisering ook binnen onze nationale grenzen bevindt, maakt de zaak alleen maar urgenter.

Sir Rupert Smith: The Utility of Force. The Art of War in the Modern World. Penguin, 448 blz. euro 34,49

Norbert Both is de auteur, samen met Jan Willem Honig, van “Srebrenica, reconstructie van een oorlogsmisdaad' (1996).