Wie met wijwater omgaat

Er is veel kommer en kwel in de romans van Nicolien Mizee (1965). In haar debuut, Voor God en de Sociale Dienst (2000), kregen we inzage in de lotgevallen van Cilia, die wanhopig haar draai probeerde te vinden in het leven. Uiteindelijk klopte ze aan bij de sociale dienst voor een uitkering, als gehandicapte jongere. Net als Mizee zelf toen ze een jaar of twintig was. In haar tweede roman, Toen kwam moeder met een mes (2003), over de overspannen decoratieschilderes Ida, verwerkte ze ook veel autobiografisch materiaal. Een ware stoet aan familieleden, de een nog eigenaardiger dan de ander, passeerde de revue. Aan iedereen, vader, moeder, ooms, tantes, zussen, neven en nichten, zat een flinke steek los. En naast zelfmoord, depressie, seksueel misbruik, smetvrees, claustrofobie, anorexia en dwangneurose waren er ook nog de nodige hartinfarcten en hersenbloedingen.

De aantrekkingskracht van vooral die tweede roman, genomineerd voor de Librisprijs, werd uiteraard niet bepaald door de hoeveelheid misère, maar door de verbluffend lichte en luchtige manier waarop Mizee over al die familieperikelen wist te schrijven. Ook al liep het lang niet met iedereen goed af, toch werd de moed niet zomaar opgegeven. Maar vooral was er de weldaad van het goedgekozen woord, de trefzekere toon en de onthechte manier van vertellen. Een droogkomische mengeling van Voskuil, Reve en Grunberg en hier en daar een vleugje Brakman. Het was dan wel een zootje, altijd en overal, zo leek Mizee te willen beweren, en de mensen hadden lang niet altijd het beste met elkaar voor, maar er kon om al die narigheid ook gelachen worden.

De vraag was natuurlijk of Mizee al haar kruit verschoten had met die twee naar het eigen leven getekende boeken. Dat blijkt niet het geval te zijn. Met haar nieuwe roman, En knielde voor hem neer, slaat zij geen totaal onverwachte wegen in, maar het autobiografische spoor is verlaten. Weliwaar gaat hoofdpersoon Mischa, net als Mizee zelf indertijd, op zijn vijftiende van school af, en raakt hij vervolgens op den dool. Maar verder lijkt hij een verzonnen personage te zijn, in een verzonnen verhaal. Het verschil met haar vorige boek zit hem vooral in de betrekkelijke eenvoud en overzichtelijkheid ervan. De stijl is iets minder komisch, maar nog altijd nuchter en droog. In Toen kwam moeder met een mes draaide het om huiselijke en relationele problemen die bijna werden uitvergroot tot mondiale kwesties. Bij het zoveelste meningsverschil tussen moeder en dochter kon Ida dan verzuchten: “De wereld stond een moment stil, en begon de andere kant op te draaien'. Deze keer doet Mizee ongeveer het omgekeerde. De grote boze wereld wordt teruggebracht tot huiselijke proporties.

Pooiers

We maken zijdelings kennis met daklozen, oplichters, louche vastgoedhandelaren, moordenaars, pooiers, drugs-, wapen- en pornoleveranciers en met de bijbehorende afrekeningen in het criminele circuit. De jonge Mischa geeft stem aan het legertje van zwervers dat in de grote stad het hoofd boven water probeert te houden. Op het Centraal Station van Amsterdam raakt hij in gesprek met Rinus, die hij behoedt voor een onfortuinlijke val. Rinus voelt zich aangetrokken tot Mischa en ontfermt zich over hem, maar komt er al gauw achter dat hij niet te koop is, zoals andere jongens die hij mee naar huis nam. De potige Rinus vertegenwoordigt de onderwereld: het zwarte geld, de vuige handel, de chantagepraktijken en het wegwerken van ongewenste pottenkijkers. Maar hij is ook een man met een klein hartje. Een ruwe bolster met een toch nog enigszins blanke pit. Na een eerdere aanslag die hem zijn knie heeft gekost, is hij bang voor nieuwe schietpartijen. Hij durft amper zijn zwaarbeveiligde bastion in de Artisbuurt te verlaten. Hij hecht zich steeds meer aan zijn nieuwe huisgenoot. De gevoelens zijn wederkerig, maar de verhoopte seks blijft uit. Wat is er toch met Mischa?

Nicolien Mizee breekt hier een lans voor de androgyne mens, de hermafrodiet, de “interseksueel', die man en vrouw is tegelijk, of geen van beiden helemaal. Een tragisch wezen, al vanaf de geboorte voorbeschikt tot weinig levensgeluk omdat de mensen niet weten wat ze met die tweeslachtigheid aanmoeten. Ook de ouders van Mischa spelen geen mooie rol in het geheel. Zij wilden helemaal geen kind en schaamden zich er al bij voorbaat voor. (“Albert was vierenvijftig, Johanna achtenveertig toen de diagnose gesteld werd: het was geen kanker, het was een kind.') Ze laten zich adviseren door “dokter Boor' die geïntrigeerd is door het “aparte exemplaar' en het met operaties, pillen en injecties tot het door de ouders gewenste meisje probeert om te vormen. Vergeefse moeite, want Mischa loopt van huis weg voordat de beslissende operatie heeft kunnen plaatsvinden. Hij besluit nooit meer met zijn lichaam te laten sollen.

Circusartiest

Zo vinden we Mischa terug in het voze Amsterdam, in harde, rauwe en dubieuze omstandigheden, maar nog altijd trouw aan zichzelf en dus niet als circusartiest, heroïnehoer of nachtclubmedewerker aan het werk. Mizee bracht, om de geschiedenis nog wat te verbreden, enkele extra verhaallijnen aan: ontmoetingen met drie schoolvrienden van vroeger die allemaal hun graantje proberen mee te pikken van de rijkdom, de charme en het criminele netwerk van Rinus. Ook wordt ons een bescheiden blik gegund in de droefgeestige keuken van de internationale vrouwenhandel. Een paar Roemeense meisje weten er met het nodige kunst- en vliegwerk uit te ontsnappen. Uiteindelijk draait het hier om de liefde, de onmogelijke liefde tussen een gewetenloze oude boef en een eerlijke, knappe jongeling die steeds meer naar elkaar toe groeien. Want, zoals Rinus het fraai uitdrukt, “wie met wijwater omgaat, wordt ermee besmet'. In een voze wereld weten ze een mooie, platonische relatie op te bouwen. The Beauty and the Beast. Een tikje clichématig wellicht, maar Mizee weet het verhaal, soms scherend langs de afgrond van het sentiment, zuiver te houden. Ik heb me er althans door laten overtuigen, zowel door het liefdesverhaal zelf als door het onvermijdelijke, noodlottige besluit ervan. Het bewijst niets, maar ik schoot vol bij het lezen van het laatste, smartelijke hoofdstuk - en bij herlezing nog een keer.