Warme gloed van Groningse klei

Uit Groningen komen niet alleen maar realisten. In die provincie wonen ook schilders die hun gevoel uitdrukken of het fijne spel van kleuren en vlakken willen onderzoeken. Dat is overigens niet nieuw in die streken; ook H.N. Werkman en de kunstenaars van De Ploeg zochten het in andere zaken dan de nauwkeurigste weergave van een landschap of een stilleven.

Drewes de Wit, ZT, 2004/2005 Olieverf op paneel, Foto Marten de Leeuw Leeuw, Marten de

Conservator Han Steenbruggen van het Groninger Museum wilde die andere kant van zijn provincie wel eens laten zien in Amsterdam. Gelijktijdig met de expositie over de Groninger meester Jan Jordens (1883-1962) in zijn eigen museum kreeg Steenbruggen van galerie Krijger + Katwijk de ruimte vier verwante eigentijdsen te tonen.

In de Amsterdamse galerie hangt als ijkpunt één Jordens. Het is een geplamuurd werk van ruwe vlakken in zachte tinten blauw, oranje, grijs en zwart. De vlakken liggen als kleurige klei op het paneel. Het oogt statig, maar niet stijf, eerder als een bevroren moment in een draaiende beweging.

Dat verstilde zie je ook bij Hans Boer (1947). Op zes kleine doeken verdeelt hij telkens de ruimte in regelmatige vlakken die hij kleurt door ze laag over laag te schilderen in lemige tinten. Met ovale vormen op snijpunten verstoort hij de rust die dreigt te ontstaan.

Martin Tissing (1936) kiest voor elk doek een tint die hij opbouwt uit zachte lagen. Ook hier ontstaat een warme kleigloed. Die gebruikt hij door er speelse vormen op te plaatsen die in hun dynamiek wat doen denken aan het ruimtelijke werk van Paul Klee. Ook als niet op ieder schilderij het woord “Tibet' door de verf zou schijnen, dan nog was het mediatieve van Tissings werk duidelijk. Het nodigt bescheiden maar dringend uit tot betekenis geven aan de zwevende cirkels en stippen.

Drewes de Wit (1944) schildert als door een waas. Hij temt kleuren door ze fel neer te zetten en ze later te temperen onder nieuwe lagen verf, alsof je ze door een matglas bekijkt. De resterende vlekken van zachte kleuren zijn onderdeel van patronen die aan ponsgaten of morse-seinen doen denken. Uit de doeken spreekt zelfbeheersing en een grote, ingehouden kracht.

Zelfbeheersing is iets waar de enige vrouw op de expositie geen last van heeft. Ada Duker (1955) houdt van verbonden vormen. Ze trekt met de kwast lijnen en stippen in dunne verf, soms meerdere lagen over elkaar. Het klinkt decoratief en het is in ieder geval vrolijker en luchtiger dan het werk van haar streekgenoten. Toch zie je ook bij haar dat ingetogen verlangen iets grondigs te willen zeggen over kleur en vlak zonder zich in details te verliezen. Dat is wat deze vier bindt en verwant maakt aan Jordens.

4 Groningse kunstenaars: Hans Boer, Ada Duker, Martin Tissing, Drewes de Wit.T/m 15 april in Galerie Krijger + Katwijk, Lange Leidsedwarsstraat 198-200, Amsterdam. Wo-za 12-18 uur, inl.: 020-627 3808.