Trouw tot op het laatst

Een halve eeuw geleden streken in Oost-Berlijn tal van Nederlandse kunstenaars neer om mee te helpen aan de “opbouw van het socialisme'. Lang hielden ze het er niet uit, omdat ze beschuldigd werden van spionage.

Leden van de Freie Deutsche Jugend dansen voor de Brandenburger Tor, 1950 foto Ullstein bild Deutschlandtreffen der Jugend in Berlin: Mitglieder der FDJ tanzen vor dem Brandenburger Tor, darauf Losung 'Deutsche Jungen und Mädel! Die Hauptstadt Deutschlands grüsst euch' - 1950 ullstein - ullstein bild

Een eenvoudige vier-onder-een-kap-woning in Berlin-Pankow. Hier woonde tot zijn overlijden in 1981 de in Amsterdam-Noord geboren filmer Joop Huisken. Opgeroepen voor de Arbeitseinsatz was hij in 1942 te werk gesteld bij de UFA-studio's in Potsdam-Babelsberg. Zijn “Beitrittserklärung' van de Reichsfilmkammer - nr. 3658 - bevindt zich nog in het filmarchief Potsdam. “Kameramann' vulde hij als beroep in, want al voor de oorlog filmde hij met Joris Ivens. Drie oorlogsjaren lang werkte hij voor de afdeling trucage van de UFA. Hij leerde er zijn Duitse vrouw kennen en keerde na de oorlog niet terug naar Nederland. Door deze beslissing was hij de eerste Nederlandse kunstenaar in de “Sowjetische Besatzungs Zone' die vanaf 1949 DDR zou heten. Als regissseur in dienst van de Oostduitse DEFA maakte hij films met pakkende titels als Stahl, Freundschaft siegt, Turbine I , en met zijn oude vriend Ivens, die voor de gelegenheid in Oost-Berlijn kwam wonen, Lied der Ströme, een propagandafilm over de vakbondsstrijd langs de zes grote wereldrivieren.

Met Huiskens 56-jarige zoon Peer kijk ik naar de films van zijn vader. Het zijn gedegen propagandafilms over de wederopbouw van een staat. Als we er genoeg van hebben toont Peer me een DDR-documentaire over zijn vader, kort voor zijn dood gemaakt. We zien Huisken met een wit overhemd over een zwarte coltrui, een bril met zwart montuur, kettingrokend, Duitssprekend met een Amsterdams accent. “Hij bleef zich Nederlander voelen“, zegt Peer. “Zijn Nederlandse paspoort heeft hij altijd behouden. Daar stond hij op.“

Dogmatisch is Huisken, hoewel de titels van zijn films anders doen vermoeden, volgens zijn zoon niet geweest. “Nee, dat heb ik nooit gemerkt. Hij was optimistisch, strijdbaar, hij geloofde dat het communisme er ooit zou komen.“

Koffers met dubbele bodem

Om zijn trouw te bewijzen werd Huisken lid van de SED, de Oostduitse communistische partij. Maar voor het zover was moest zijn verleden worden doorgelicht. Uit de SED-documenten blijkt de goede afloop: Huisken zou antifascistische werkzaamheden hebben verricht en vlugschriften in koffers met dubbele bodem van Amsterdam naar Berlijn hebben getransporteerd. “Hij vervulde zijn opdracht nauwgezet en heeft zich als betrouwbaar en moedig bewezen“, zegt zijn zoon. Het antifascisme zou een van de belangrijkste bouwstenen van de DDR worden.

Het geval Huisken is uniek: hij bleef waar hij was en werd zo vanzelf inwoner van een nieuwe staat.

Huisken was één van de tien Nederlandse kunstenaars die de lokroep van Oost-Berlijn niet konden weerstaan. Wat waren hun motieven om te emigreren? Dat ze min of meer “links angehaucht' waren spreekt voor zich, maar was dat ook voldoende om de stap richting Oost-Berlijn te zetten? En was hun linkse overtuiging ook voldoende om het anti-Duitse sentiment te overwinnen? Of speelde dat anti-Duitse element geen rol, omdat de meeste emigranten van Duitse afkomst waren, een Duitse vrouw hadden of door Duitse vrienden in de DDR waren uitgenodigd?

De 94-jarige pianist en musicoloog Eberhard Rebling woont nog steeds aan de rand van Oost-Berlijn. In 1936 vluchtte hij voor Hitler naar Nederland. In Amsterdam leerde hij de joodse danseres en zangeres Lin Jaldati (pseudoniem van Rebekka Brilleslijper) kennen, die in hetzelfde linkse kunstenaarsmilieu als Huisken verkeerde. Zowel Rebling als zijn vrouw hadden tijdens de oorlog geluk: hij wist aan arrestatie door de SD te ontkomen en zij overleefde ternauwernood concentratiekamp Auschwitz.

Na de bevrijding wilden ze opnieuw beginnen, maar dat lukte amper. De Koude Oorlog woedde onverminderd voort en Reblin verloor dankzij zijn CPN-lidmaatschap zijn werk als muziekrecensent en pianist op schoolconcerten die hij gaf met Benny Behr en Sem Nijveen. Toen hun vriendin, de schrijfster Anna Seghers, hen daarop uitnodigde naar de DDR te komen was dat aanbod het overwegen waard. De grote vraag was echter hoe zijn joodse vrouw ooit in Duitsland zou kunnen aarden? “Als we niet in financiële moeilijkheden waren geraakt, zouden we er misschien nooit heen zijn gegaan“, zegt Rebling, “maar het feit dat in de DDR veel anti-fascisten zaten die zich tijdens de oorlog verdienstelijk hadden gemaakt gaf de doorslag.“

Rebling zou in de DDR hoofdredacteur worden van het tijdschrift Musik und Gesellschaft en vervolgens directeur van de Musikhochschule Hanns Eisler. Met zijn vrouw en hun twee dochters trokken ze met een jiddisch liederenprogramma door het land, “om de puinhopen in de hoofden van de Duitsers op te ruimen.“

Door Reblings functie in de DDR werd hem en zijn vrouw, toen ze hun paspoort wilden verlengen, te verstaan gegeven dat ze geen Nederlander meer konden zijn. Op basis van een Nederlands wetsartikel uit 1892 zou Eberhard in vreemde staatsdienst zijn getreden. Pas vele jaren later kreeg Lin, die heimwee had naar Amsterdam, haar paspoort terug. Voor Rebling hoefde het toen niet meer, hij werd DDR-burger.

Politiek tekenaar Fritz Behrendt, evenals Rebling in Berlijn geboren en na 1933 naar Nederland gevlucht, werd door een oude Berlijnse bekende gevraagd de FDJ - de Freie Deutsche Jugend - te helpen opbouwen. “Jonge, doortastende, betrouwbare anti-fascistische Duitsers konden ze goed gebruiken“, zegt hij glimlachend.

Behrendt had zijn sporen verdiend met het aanleggen van een autosnelweg door Joegoslavië. Als lid van de progressieve jeugdbeweging ANJV had hij het tot commandant van de Internationale Brigade geschopt en was gedecoreerd door president Tito. Het was een onderscheiding waar hij trots op was, maar die hem slechts ellende zou brengen.

Op weg naar Berlijn, in de herfst van 1948, kwam Behrendt in Leipzig de Nederlandse architect Mart Stam en zijn derde vrouw Olga tegen. Ze kenden elkaar van vroeger: Stam - die in de jaren dertig als architect meewerkte aan de opbouw van de Sovjet-Unie - was directeur geweest van de Amsterdamse kunstnijverheidsschool, waar hij Behrendt als leerling had.

Tijdens hun ontmoeting zette Olga de toon door te wijzen op de onderscheiding op Behrendts revers. Behrendt: “Ze wond zich op en zei dat ik hem af moest doen. Het zou als propaganda voor Joegoslavië kunnen worden opgevat. Dat was levensgevaarlijk.“

Behrendt zag dat Stam zich zo geneerde dat hij zijn vrouw een por in haar zij gaf waardoor er snel een einde aan het gesprek kwam en ieder zijns weegs ging. Maar Olga Stam zou gelijk krijgen, moet Behrendt erkennen. Na een half jaar voor de FDJ te hebben gewerkt (waar hij propagandamateriaal ontwierp, een toneelgroep van de Volkspolizei begeleidde en anti-fascistische lezingen hield) werd hij gearresteerd en beschuldigd van spionage voor Tito. De president van Joegoslavië was in diskrediet geraakt en daarmee waren al degenen die aan hem herinnerden “besmet'. Toen Behrendt een half jaar later - in 1950 - werd vrijgelaten keerde hij spoorslags naar Nederland terug. Hij had voorlopig genoeg inspiratie voor zijn politieke tekeningen.

Gevaarlijke dictatuur

Dat de DDR een gevaarlijke dictatuur was geworden zouden ook Stam en zijn vrouw merken. Door de in Arnhem geboren binnenhuisarchitecte Liv Falkenberg, getrouwd met een minister, werd Stam gevraagd het kunstonderwijs in Dresden op poten te zetten.

Stam zou echter niet lang in de arbeiders- en boerenstaat blijven. Nadat zijn pogingen in Dresden op veel weerstand waren gestuit werd hij tot zijn verbazing gevraagd de Kunsthochschule Weissensee in Oost-Berlijn te leiden. Ook ondervond hij veel tegenstand van de kant van de partijorganen. Maar hij raakte pas echt in de verdrukking toen partijleider Walter Ulbricht persoonlijk de aanval op zijn kunstzinnige opvattingen opende. Vooral Stams beroemde buizenstoel kon geen goed doen in de ogen van de voormalige oppermeubelmaker, die zelf protserige houten meubels prefereerde.

In september 1952 werd Stam dan ook gedwongen zijn functie neer te leggen. Niet veel later werd hij samen met zijn vrouw uitgewezen als “kosmopoliet', een ernstige beschuldiging in die jaren. Gebroken en “krank an Leib und Seele' verlieten ze de DDR. Stam zou er niet meer bovenop komen. Gedesillusioneerd trok hij zich terug in Zwitserland, waar hij tot zijn dood in 1986 als een kluizenaar leefde.

Ook de Nederlandse schrijver Nico Rost zou slachtoffer worden van het socialistisch experiment. Als correspondent voor Nederlandse bladen woonde hij in de jaren twintig en dertig in Berlijn, totdat hij na Hitlers machtsovername werd gearresteerd. Na een verblijf van zes weken in kamp Oranienburg zetten de nazi's hem het land uit. Tijdens de oorlog zou hij drie jaar in Dachau vastzitten, om na de bevrijding Goethe in Dachau te schrijven, een kampdagboek dat in de DDR een enorm succes was omdat het van een anti-fascistisch bewustzijn zou getuigen.

Rost besloot zich nu in Oost-Berlijn te vestigen. Maar hij vergiste zich in de bureaucratie. Hij had namelijk gesuggereerd CPN-lid te zijn en op grond daarvan liet partijleider Paul de Groot hem struikelen, waarmee hij de Oost-Duitse autoriteiten een alibi verschafte om hem uit te wijzen. In de ogen van de Stasi was Rost een spion, evenals Behrendt en Stam.

Alledrie werden ze ongeveer in dezelfde tijd gearresteerd en het land uitgezet. Ze hadden de pech in de DDR te zijn terwijl er zuiveringen met duidelijke xenofobe kenmerken aan de gang waren. Maar tegelijkertijd mochten ze blij zijn dat ze het hadden overleefd.

Behrendt trok lering uit zijn DDR-ervaringen, Stam was zwaar gefrustreerd. Maar Rost deed of er niets aan de hand was. Na zijn uitwijzing schreef hij nog een brief aan Johannes Becher, de OostDuitse minister van Cultuur: “Ik sta nog voor honderd procent achter jullie.“

Degenen die na hen naar de DDR kwamen waren politiek minder uitgesproken en kwamen eerder uit artistieke overwegingen naar Oost-Berlijn. Zoals Gerda Goedhart, sinds 1954 als fotograaf verbonden aan het Berliner Ensemble van Bertolt Brecht. In Oost-Berlijn zou ze prachtige foto's maken van Brechts laatste jaren.

Mutter Courage

In 1958, twee jaar na Brechts dood, verliet Goedhart samen met haar vriendin Angelika Hurwicz - die “stumme Katrin' speelde in de beroemde voorstelling Mutter Courage - de DDR en keerde terug naar Nederland. Zonder Brecht was de sfeer bij het Berliner Ensemble achteruit gegaan, vonden ze.

Het Berliner Ensemble was in die jaren het centrum van cultuur. Kort voor Brechts dood werd ook de dichter en beeldend kunstenaar Lucebert ertoe aangetrokken. Na bemiddeling van Gerda Goedhart woonde hij een half jaar in Oost-Berlijn om onder Brechts vleugels een toneelstuk te schrijven of te bewerken. Het schijnt dat Brechts voorkeur uitging naar de Spaansche Brabander van Bredero. Maar het wilde niet lukken. De nieuwsgierigheid van de jonge dichter sloeg al snel om in apathie. Hij ervoer de sfeer in de stad als dermate beklemmend dat er vrijwel niets uit zijn handen kwam. Toen hij op een winterdag zijn fotocamera tevoorschijn haalde om een met sneeuw bedekte ruïne te fotograferen werd hij gearresteerd. “Spionage natuurlijk“, volgens zijn weduwe Tony Swaanswijk. Toen was de maat helemaal vol. Ondanks tegenstribbelen van Brecht en de autoriteiten keerde hij in maart 1956 tot zijn opluchting met zijn gezin naar Nederland terug. In zijn gedicht Gross-Berlin zou hij dichten: “in deze stad vol/ hondentrouw en hondenminnaars/ elke trouwe hond zijn eigen/ gewetensloze hondsvot/ rust ik niet deze/ steedse steppe deze historische bron/ van dolle verdorring is in rust/ nog een oordeel.' Zijn verblijf in Oost-Berlijn wilde hij zo snel mogelijk vergeten en in interviews vermeed hij het onderwerp bij voorkeur.

Achteraf, na de Wende, denkt Rebling wel eens dat hij wel wat meer kritiek had kunnen leveren. “We zijn niet ver genoeg gegaan. Maar wat had je kunnen doen als enkeling?“ Maar de hereniging bevalt hem niet. Hij spreekt liever niet van “Beitritt' maar van “Anschluss' als het om de positie van de voormalige DDR gaat. “Alles wordt gedicteerd door de overkant“, zegt hij. Zijn idealen blijft hij dan ook trouw. “Het is niet voor niets geweest.“

Fritz Behrendt heeft de DDR iets concreets nagelaten: het staatswapen dat hij in 1949 in opdracht van Erich Honecker ontwierp voor de nieuwe DDR-vlag. “Mijn ontwerp heeft veertig jaar standgehouden“, zegt hij met van ironie vervulde trots. Dat wapen bestond uit drie symbolen: een aar voor de landbouw, een hamer voor de industrie en een tandrad voor de techniek. Het laatste symbool werd meteen al ingeruild voor een passer als symbool voor de constructie. Ook ontwierp hij het “Abzeichen für gutes Wissen', één van de belangrijkste onderscheidingen in de boeren- en arbeidersstaat. Te verwerven na een examen met vijftig goed beantwoorde vragen van politiek-maatschappelijk aard. De onderscheiding zou een rol bij promoties blijven spelen tot de val van de DDR in 1989. De vlag en het “Abzeichen' zijn collectors-items op rommelmarkten geworden. Berlin-Ostalgie. Een inspiratiebron voor de toekomst.

Op zondag 19 maart zevndt het VPRO-radioprogramma OVT in de serie “Berlin-Berlijn' deel 4 uit over Nederlandse kunstenaars in de DDR (radio 1, 11.25 uur)