Traditie

Ik heb Zwagermans artikel `Tegen de literaire quarantaine` deels met instemming gelezen waar het gaat om zijn kritiek op de uitsluiting van straatrumoer in de Nederlandse literaire binnenkamer-traditie.

Zwagerman gaat echter voorbij aan een belangrijke straatrumoer-traditie in de Nederlandse literatuur sinds Multatuli, met vóór `40 als hoogtepunt Het land van Herkomst van Du Perron, en na `45 W.F.Hermans met De tranen der Acacia`s, Ik heb altijd gelijk, en De donkere kamer van Damokles. Het meesterwerk De Kapellekensbaan van Louis Paul Boon is doordrenkt met straatrumoer, net als zijn hele roman-oeuvre. Dan is er de naoorlogse joodse literatuur vol Tweede-Wereldoorlog-deportatie-rumoer, en na de oorlog het pijnlijk ontbreken van rumoer, zoals in het door de literaire kritiek ondergewaardeerde sublieme romans en verhalen van Marga Minco of de novelle De Nacht der Girondijnen van Jacques Presser, alsook het toneel-drieluik Leedvermaak, Rijgdraad, Simon van Judith Herbzerg, gedeeltelijk verfilmd door Frans Weisz. Om niet te vergeten Hugo Claus met Het Verdriet van België en Harry Mulisch met De ontdekking van de hemel, die toch ook hun stenen aan de straatrumoer-traditie hebben bijgedragen. Bij meer recente romans denk ik aan het werk van Graa Boomsma, die voor zijn knappe roman De laatste Tyfoon zelfs werd aangeklaagd door oud politionele actie-strijders. Ook Astrid Roemer mengt veel Nederlands-Surinaams straatrumoer in het belangrijke tijdsbeeld dat ze met haar roman-trilogie Gewaagd Leven, Lijken op Liefde, en Was Getekend geeft.