Speelbal van globalisering

In het koninkrijk Jordanië is de economische globalisering harde dagelijkse praktijk. Hoe de EU blundert, de VS te hulp schieten maar China er met de buit vandoor gaat.

Binnenstebuiten gekeerde blauwe broeken stapelen zich op bij The Modern Trousers Factory. foto Oscar Garschagen? The Modern Trousers Factory, gevestigd langs de uitvalsweg van de Jordaanse hoofdstad naar de grens met Irak, knokt op drie fronten. Sinds de liberalisering van de textielhandel met China op 1 januari 2005 wordt ook het Midden-Oosten overspoeld met scherp geprijsde textielproducten uit China of, via een omweg, uit Bangladesh. Iedere rood-witte keffiyeh -- de winterhoofddoek voor mannen - iedere hijab - de donkergetinte vrouwendracht - in Jordanië, de Palestijnse gebieden, Libanon en Irak zijn “Made in China' of “Made in Bangladesh'. Garschagen, Oscar

Het valt direct op bij de militaire controleposten en bases in de voorjaarsgroene Jordaanvallei of voor de zwaarbewaakte hotels in West-Amman; de wachtlopende infanterist, de officier van de luchtmacht, de verkeersregelende motoragent vormen piekfijne, strakke verschijningen in het Hasjemitisch koninkrijk.

“Hoe kan het anders. We maken ieder jaar alleen al 40.000 nieuwe broeken voor onze kleine luchtmacht. Zonder die broeken en de overhemden voor het leger, de uniformen voor de politie zou ik dit bedrijf allang hebben gesloten“, legt Hussein Al-Qadi, directeur-eigenaar van The Modern Trousers Factory, uit. Hij wijst tussen de geopende luxaflex in zijn kantoortje naar het atelier, waar tientallen mannen en gehoofddoekte vrouwen gebogen zitten achter zoemende en ratelende naaimachines. Aan het eind van de productielijnen tasten binnenstebuiten gekeerde blauwe broeken zich op bij de strijkers met rappe bewegingen.

Al-Qadi, Jordaniër van Palestijnse afkomst, oogt lusteloos en probeert een blèrende hoofdpijn te dempen met een handvol aspirines. Het valt niet mee een veertig jaar oud familiebedrijf met tientallen werknemers overeind te houden in een land dat een kruispunt vormt in het Midden-Oosten. Tientallen soortgelijke bedrijven zijn gesloten en het aantal Jordaniërs dat nog werkzaam is in “het naaiatelier van het Midden-Oosten' daalt gestaag.

Aan de muur achter zijn bureaustoel hangt de foto van zijn audiëntie bij koning Abdullah ll, de dictatoriale monarch en welbeschouwd zijn enige broodheer. “Een Engelse opdracht voor 63.000 broeken heb ik definitief gemist en een potentiële Israëlische opdrachtgever heeft niets meer van zich laten horen“, vertelt hij brommerig.

De paradoxale hausse in de Jordaanse textielindustrie - goed voor bijna 1 miljard euro ofwel 30 procent van de Jordaanse export - is grotendeels aan zijn familiebedrijf met nu nog 35 werknemers voorbijgegaan. Als hij de klok kon terugdraaien, leefde hij vandaag weer in 1990, toen hij nog kon leveren aan het leger van Saddam Hussein, de politie van Bagdad en Damascus.

The Modern Trousers Factory, gevestigd langs de uitvalsweg van de Jordaanse hoofdstad naar de grens met Irak, knokt op drie fronten. Sinds de liberalisering van de textielhandel met China op 1 januari 2005 wordt ook het Midden-Oosten overspoeld met scherp geprijsde textielproducten uit China of, via een omweg, uit Bangladesh. Iedere rood-witte keffiyeh -- de winterhoofddoek voor mannen - iedere hijab - de donkergetinte vrouwendracht - in Jordanië, de Palestijnse gebieden, Libanon en Irak zijn “Made in China' of “Made in Bangladesh'.

In korte tijd heeft China de markt voor de traditionele moslimkledij, jeans, overhemden, pakken en T-shirts in landen als Jordanië veroverd. De Europese Unie is voor de meeste Jordaanse textielproducenten grotendeels weggevallen als afzetmarkt, de goede bedoelingen ten spijt van het Europees-Mediteraan Partnerschap, dat in 2005 in Barcelona werd gesloten. Jordanië produceert geen basismaterialen voor broeken, pakken, jurken, sportkleren en ondergoed en kan dus niet voldoen aan de strenge local content-bepalingen van de Europese Unie. “We moeten volgens Euro-Med dan meer grondstoffen importeren uit Europa, maar dan zijn we meteen weer veel te duur. Of we moeten hier meer dan 60 procent toegevoegde waarde creëren. Maar het aannaaien van een knoopje aan een overhemd of een rits in een broek levert onvoldoende toegevoegde waarde op“, legt Al-Qadi uit. Zijn kritiek op de bepalingen van Euro-Med wordt volledig onderschreven door de Jordaanse regering.

Dat de Jordaanse textielexport desondanks spectaculair is gestegen (van 14 miljoen euro in 1999 tot 1,1 miljard euro in 2005) heeft alles te maken met de zogeheten Qualified Industrial Zones (QIZ's). “Jordanië is de bufferzone tussen Israël en de vijandige Arabische wereld. Daarom wilde de Verenigde Staten dat de economie van Jordanië werd verbonden met de Amerikaanse economie. Washington dwong af dat in het Israëlisch-Jordaanse vredesverdrag een bepaling werd opgenomen dat Jordanië belastingvrij textiel kan exporteren naar de VS met als voorwaarde dat ten minste 8 procent van de industriële output Israëlisch is en daar wordt niet al te scherp op gelet“, vat dr. Yusuf Mansur van de Envision Consulting Group de geschiedenis samen.

De QIZ's kwamen langzaam op gang, maar sinds 2000 groeien de in totaal zestig bedrijven snel. Het probleem is alleen dat bijna geen van de ondernemingen meer in Jordaanse handen is. Vooral Chinese, Koreaanse, Indiase en Pakistaanse ondernemers zijn de eigenaren. “Zij exporteren voor bijna een miljard [euro] naar de Verenigde Staten, maar de Jordaanse economie profiteert daar nauwelijks van“, zegt de in Amerika opgeleide econoom Mansur. 95 procent van de ondernemingen is niet-Jordaans en van de 55.000 werknemers hebben bijna 40.000 de Chinese, Pakistaanse of Indiase nationaliteit.

“Zij worden op tijdelijke contracten ingevlogen. Zij worden gehuisvest en gevoed door de bedrijven en krijgen lonen die lager liggen dan het Jordaanse minimumloon van 98 euro per maand“, vertelt Fathalla Omrani, president van de Jordaanse textielvakbond. De vergaderzaal van zijn kantoor zit vol met vakbondsvrouwen, die tijdens een lunch met mansaf (een traditioneel gerecht van lam, rijst en yoghurt uit Hebron) de situatie in de QIZ-bedrijven bespreken. Abir (28) vertelt over lage lonen, lange werkdagen en de voortdurende dreiging van ontslag. Zij heeft haar baan en de 98 euro per maand hard nodig, ook om mee te helpen aan het onderhoud van familie in het Palestijnse vluchtelingenkamp Balata bij Nablus in “Palestina'.

Zij werkt bij Silver Planet, een fabriek even buiten Amman, een Pakistaans bedrijf dat werkt voor de grootste winkelketens ter wereld, Wal-Mart, JC Penney en Target in de VS, maar ook voor Brooks Brothers, GAP en Simply Basic. Containers met sport- en zomerkleren, sommigen voorzien van het label “Made in Israel' vertrekken aan het eind van de middag naar de containerhaven van Aqaba aan de Rode Zee. Naast de omheinde fabriek, die niet bezocht mag worden, liggen de containerachtige leefbarakken voor de Chinese en Pakistaanse werknemers, die bijna 2,90 euro per dag verdienen. Zelfs nationale gerechten worden geïmporteerd voor de werknemers die de bedrijfsterreinen zelden verlaten.

Abir: “Daar kan je in Amman niet van leven, ook niet in de vluchtelingenkampen.“ En vakbondspresident Fathalla Omrani zegt: “De Jordaanse economie profiteert nauwelijks en de Jordaniërs leren er niets en alle buitenlandse eigenaren, inclusief de Israëliërs, hebben op deze manier vrije toegang tot de Amerikaanse markt.“ En ook voor de naar eigen zeggen “zeer pro-Amerikaanse“ econoom Mansur staat vast: “De werkloosheid in Jordanië is gestegen tot meer dan 30 procent, we missen schaalgrootte, we hebben geen Arabische interne markt zoals in de Europese Unie, het grote Egypte schermt zichzelf af en we zien ons grote buurland Irak exploderen. Van dat laatste profiteren de banken, de verzekeraars en de onroerendgoedsector, maar de Iraakse, Saoedische en Libanese immigranten creëren te weinig duurzame werkgelegenheid voor Jordaniërs. De koning zegt altijd dat politieke hervormingen op een volle maag uitgevoerd moeten worden, dus eerst brood en dan vrijheid. Maar de wereldwijde concurrentie wordt steeds harder.“

Voor het hotel naast het kantoor van Mansur wisselt de wacht. Drie in blauw-grijs gevlekte camouflagepakken en kogelvrije vesten geperste mannen posteren zich in de lobby, een van hen, een martiaal ogende kerel, haalt voorzichtig een rood-witte keffiyeh uit het plastic om daarmee zijn hoofd tegen de regenkou te beschermen: een nieuwe hoofddoek “Made in Bangladesh'.