Over hardheid en de rot daarin

Is er een etiket te plakken op “De pianiste'? Gaat een burgerman na lezing van die roman nadenken over zijn eigen hardheid? Lees en reageer: www.nrc.nl/leesclub

Je kunt rustig een etiket op een literair kunstwerk plakken, maar je moet er wel voor zorgen dat het ook de lading dekt. Elfriede Jelineks De pianiste is een literair kunstwerk van internationale allure. Daarmee is het eerste etiket geplakt. Probleemloos. Ik ga niet alle eigenschappen van dit boek opsommen die het tot meesterwerk maken, maar alleen al Jelineks kwistig gestrooide beeldspraken zijn volstrekt eenmalig. Je herkent er de auteur onmiddellijk in, ze dringen door tot op het bot: “Erika heeft een gevoel van massief hout op de plaats waar de timmerman bij de ware vrouw het gat heeft aangebracht. Er zit sponzig, voos, eenzaam hout in het hoog opgaand geboomte, en de rotting neemt toe.' Hardheid en de rot daarin, het zou een samenvatting van De pianiste kunnen zijn. Ik daag de deelnemers aan de leesclub uit een lijst samen te stellen van dit type beeldspraken: als detail treffend, en een korte samenvatting van hoofdpersoon of het hele boek (eerste prijs een geheel verzorgde, gratis opname in de Elfriede Jelinek-kliniek). Wat de auteur doet in deze beeldspraak vinden we op veel plaatsen in De pianiste: het tastbaar maken van gevoel. Zo schrijft ze ergens anders dat Walter Klemmer, de beklagenswaardige minnaar van hoofdpersoon Erika Kohut, zijn liefde voor haar uit zijn achterzak tevoorschijn haalt, alsof het een plat pakketje betreft. En als Erika zijn geslacht hardhandig manipuleert lezen we: “Bovenin gaat een gat open, dat in Klemmer uitkomt en door diverse leidingen gevoed wordt. Het gat ademt en vraagt naar het tijdstip van explosie.' Een virtuoze passage. Eerst wordt van de mens Klemmer een onbezield buizenstelsel gemaakt, nog geen zin later blaast Jelinek er weer geest in (adem, een vraag). Een stijl als deze vraagt om oplettendheid, langzaam lezen. Vóór je het weet heb je over een van Jelineks buitenissige parels heengekeken.

We waren aan het etiketteren. Een feministische roman, zoals Elsbeth Etty net als Edith Frieling en Ruth van der Weele suggereerden? Of een stadsroman (klein stickertje)? Het boek bevat immers een uitgebreid beschreven, onvergetelijke wandeling door Wenen (een door en door verrotte wijk).

Uit het hele boek spreekt een streven naar machtsevenwicht in een liefdesrelatie van sado-masochistische aard: “Erika Kohut exploiteert haar liefde om deze jongen tot haar meester te maken. Hoe meer macht hij over haar zal krijgen, des te meer zal hij desondanks haar willige onderdaan worden. [] Erika wil dat Walter Klemmer haar martelt.' De pianiste een “SM-roman'? Etty overwoog verder het etiket “muzikale roman', in een vergelijking met Paul Wittemans boekenweek-essay Erfstukken. Ondanks haar bewondering voor dit werkje vol gemeenplaatsen (“De gouden klanken van Bach') is Etty's vergelijking interessant. Ze heeft het net als Witteman over de zelfdestructie bij gedrilde muzikale wonderkinderen. Van destructief gevoel is bij Erika inderdaad sprake, tot en met zelfmutilatie. En gedrild is ze zeker door haar moeder, een akela straight from Hell. Maar het probleem is dat Erika nu juist niet het wonderkind is dat haar moeder had gedroomd, en het niet verder brengt dan pianolerares.

“Menige depressie is slechts een uitdrukking van spijt dat men virtuoos moet zijn,' schreef Wilhelm Stekel. Het gaat zeker op voor Erika's vreugdeloze leven. Ik sprak al over de “Elfriede Jelinek-kliniek', Stekel was een Weense zenuwarts, en de liefdeswandelingen van Erika Kohut op aarde lijken allerminst normaal. Etiketten. Moeten we De pianiste dus een psychiatrisch boek noemen, een boek over een uitzonderingstoestand des geestes? Er is veel voor te zeggen. Ik hoef maar op de scène te wijzen waar Erika in de bosjes verborgen een bruut samenliggen volgt van een Turk met een Weense. Duidelijk met plassex-suggestie. Is toch niet normaal? Ik zal dat inderdaad niet beweren, maar noem De pianiste (en dat is mijn laatste etiket) toch een volstrekt realistische roman. Wie bijvoorbeeld de klein gedrukte patiëntenverhalen in het fascinerende werk Nerveuze Angsttoestanden en hun behandeling (1926) van genoemde zenuwarts Stekel leest, stuit op vele lotgenoten van Erika Kohut. Onaanraakbaarheid, voyeurisme, zelfbeschadiging, de geslachtsdrift honger willen laten lijden, behoefte aan vernietiging, moederhaat/liefde, hysterie, gevoelszwakte in het geslacht, noem maar op. Het heerst niet bij iedereen, maar het bestaat.

Het wonderbaarlijke van De pianiste (en dat maakt het tot een meesterwerk) is dat deze uitzinnige beschrijving van een uitzonderingstoestand tussen een man, een vrouw en haar moeder, een bizarre niche van het werkelijke leven, zoveel algemene geldigheid suggereert dat ook de “normale' lezer wordt gegrepen. Daarbij is De pianiste een (tot op zekere hoogte autobiografisch) boek over muziek, macht, vrouwenemancipatie, Wenen. Het is een onthutsende, hartverscheurende roman waar je veel etiketten op kunt plakken, zoals op andere grote werken uit de literatuur. In een adembenemende stijl sleept Jelinek je door de hel van haar hoofdpersoon, en ze weet dat zo realistisch te doen dat zelfs een overtuigd burgerman als ik gaat nadenken over mijn eigen hardheid, en de rot daarin.

Volgende week in de Leesclub: H. Brandt Corstius over “De pianiste', boek en film.