Op de divan in de Watergraafsmeer

In de tweede helft van de jaren zestig groeide het buurtclubje Ajax uit tot een Europese topploeg. Een nieuwe studie reconstrueert waarom: geld, afscheid van het amateurisme, het talent van Cruijff, en vooral de psycho-analytische methode van trainer Rinus Michels.

“Op 2 januari 1965 rijdt Rinus Michels in zijn tweedehands Skoda naar stadion De Meer', schrijft Menno de Galan. De nieuwe coach van Ajax heeft tot dan toe slechts amateurclubs getraind. Hij had vergeefs bij Heracles gesolliciteerd (want anders stond de Amsterdam Arena nu misschien in Almelo). Bij Ajax gaat Michels 800 gulden per maand verdienen. Naast zijn drie avondtrainingen per week blijft de 36-jarige als gymnastiekleraar voor dove kinderen werken. Bij zijn aanstelling is er geen persconferentie, en hoeft hij geen kranteninterviews te geven.

Op deze geboortedag van het gouden Ajax bestaat het eerste elftal nog uit semiprofs. Bijna allemaal zijn het Amsterdamse jongens uit de blanke arbeidersklasse, die toen nog in de stad woonde. Een keuzecommissie maakt wekelijks de opstelling. Begin 1965 vecht Ajax tegen degradatie, en stelt het Nederlandse voetbal internationaal niets voor.

Michels had echter het bizarre idee opgevat om van deze buurtclub een Europese topclub te maken. Binnen zes jaar lukte dit. De vraag is natuurlijk hoe deze transformatie - van Ajax, van het Nederlandse voetbal, maar ook van Nederland zelf - heeft kunnen plaatsvinden.

In dit iets te lange maar bij vlagen fascinerende boek geeft De Galan een antwoord. Hij heeft tientallen betrokkenen gesproken, inclusief veel spelers van het gouden Ajax en Michels zelf, voor diens dood vorig jaar. Zijn beste informant is echter de vergeten psycholoog Dolf Grunwald, tot 1970 in dienst van Ajax. Nadat Grunwald in 2004 overleed, heeft zijn familie zijn aantekeningen blijkbaar aan De Galan doorgespeeld. Het Grunwald-archief is zo'n schatkist waarover elke historicus fantaseert. Er zijn maar weinig scherpere waarnemers geweest van Johan Cruijff en Piet Keizer.

In januari 1965 had Michels de tijd mee. Nederland beleefde zijn Wirtschaftswunder. Dankzij geldschieters als de gebroeders Van der Meijden (bijgenaamd “de Bunkerbouwers', wegens hun eerdere diensten aan de Duitse bezetters), stroomde een deel van de weelde naar De Meer. Daarmee konden enkele Ajacieden de eerste fullprofs van Nederland worden.

Michels streefde in alles een professionaliteit na die in het Nederlandse voetbal ongekend was. Zijn voorbeelden waren de buitenlandse topclubs. Geen Nederlandse club had eerder deze maatstaf gehanteerd. In de jaren zestig werden de Europa Cups echter door de voortschrijdende eenwording van Europa steeds belangrijker. Elk seizoen werden de Nederlandse clubs geslacht, maar ze zagen - ook dankzij de opkomst van de tv - tenminste wel hoe het er bij Manchester United of Real Madrid aan toeging. Vanaf Michels probeert de Nederlandse voetbaltop zich met de Europese top te meten. Daar ligt nu de lat.

Michels betichtte de Ajacieden vaak van een “typisch Hollandse mentaliteit', wat hij als kritiek bedoelde. Ze misten ambitie, konden geen pijn lijden, schopten tegenstanders te weinig, enzovoort. Op trainingskamp liet hij ze drie keer per dag oefenen en 's avonds nog een wedstrijdje spelen. “Hij was de vader en wij zijn kinderen, die hij met harde hand opvoedde“, analyseerde de vaderloze Cruijff.

Vóór Michels gingen Nederlandse clubs per traditie sentimenteel met hun spelers om. Ook in 1973, twee jaar nadat Michels naar Barcelona was vertrokken, durfde niemand bij Ajax Sjaak Swart te vertellen dat hij nu echt te oud was en dat hij zijn stekkie in het elftal aan Johnny Rep moest afgeven. Na enig gepolder werd een compromis gevonden: Swart mocht de eerste helft van wedstrijden spelen, en Rep de tweede. Op dat moment was Ajax het beste team ter wereld.

Michels verachtte dergelijk soft gedoe. Na elke nederlaag van Ajax in Europa verving hij de zwakste schakels. Spelers van naam werden er plotseling uitgegooid. Vervelend was dat Michels het hun niet zelf durfde te vertellen. De Galan interviewt slachtoffers die decennia na dato nog steeds verbitterd zijn. Frits Soetekouw, plotseling afgedankt na een nederlaag tegen Dukla Praag: “Het houdt me nog altijd bezig.“ Ruud Suurendonk, die in een Europa-Cupfinale niet mocht invallen: “Ik heb het Michels in stilte altijd kwalijk genomen.“ Salo Muller, de masseur die na ruzie vertrok, ontving de ochtend erop een telegram van Ajax. “Ik zei tegen mijn vrouw: “Hééé, let op, ze vragen me terug.' Maar nee. “Bij deze verzoeken wij u binnen 24 uur de Ajax-eigendommen in te leveren plus de sleutel van uw kantoor.' Dat stond er.“ Klaas Nuninga, in 1969 weggebonjourd, verklaart het zo: “Ajax bestond toen uit semiprofs die prof waren geworden. De spelers verwachtten in die tijd nog dat er menselijkheid komt bovendrijven.“

Alleen Cruijff deelde het professionele instinct van Michels. De spits maakte Ajax niet alleen beter maar ook harder. Keeper Heinz Stuy: “Tijdens de trainingen werd er voor de onderlinge partijtjes altijd gepoot, net als bij straatvoetbal. Meestal deden Johan en Pietje [Keizer] dat.“ Zij kozen openlijk hun teams, waardoor elke speler elke dag wist waar hij in de pikorde stond.

Maar Michels beschouwde Cruijff niet alleen als bondgenoot maar ook als kwelling. De speler schold voortdurend op medespelers, gehoorzaamde de coach soms niet, rookte te veel en faalde in zijn eerste jaren vaak in grote wedstrijden. Michels, innovatief als altijd, schakelde niet één maar twee psychologen in om Cruijff te doorgronden. De aantekeningen van Grunwald, en de verhalen die diens rivaal Roelf Zeven aan De Galan heeft verteld, leveren hilarisch materiaal op: de Watergraafsmeer als Quartier Lacan.

Als goede psycholoog begon Grunwald bij Cruijffs overleden vader. “Eigenlijk ontkent (Cruijff) elke autoriteit omdat hij - onbewust - iedereen met zijn V. (Vader) vergelijkt Als hij in Michels minder de man ziet die toch niet zo goed is als zijn v(ader) zijn we een heel eind.'

Grunwald bespeurde in Cruijff de drang “een grote jongen (te) willen zijn omdat hij zich een kleine voelt Nooit is hij met leeftijdsgenoten (geweest). Toen hij 12 was, voetbalde hij met jongens van 15... Toen hij 17 was, in het eerste elftal, omgaan met alle leeftijden. Zou hij daar wel zin in hebben?' Omdat Cruijff weinig steun van leeftijdsgenoten ontving, leek hij op “het knappe kind dat enkele klassen mag overslaan en daardoor later emotioneel in de problemen komt'.

Als medespelers Cruijff aanvielen, werd hij volgens Grunwald “nerveuzer en prateriger'. Maar als ze Cruijff accepteerden, kwam hij tot rust. “Zijn houding verandert dan ook: zachte stem, gaat gemakkelijk erbij zitten, hangen of liggen, minder praten en wat vochtige ogen.'

Een tijdlang mocht Grunwald bij Ajax opmerkelijk veel van Michels. Na een ruzie tussen Cruijff en Swart liet de psycholoog de twee zelfs een rollenspel in de kleedkamer opvoeren. Cruijff moest Swart spelen, en Swart Cruijff. Het liep uit de hand. Grunwald: “Alle spelers begonnen door elkaar heen te roepen - ik ben dus niet goed begonnen. Michels beëindigde - terecht - de discussie.' Zoals Cruijff later opmerkte, was zo'n rollenspel “volledig nieuw in de sport, helemaal in de voetballerij natuurlijk.' Zelf vond hij het echter niet gek: “Ik vond eigenlijk nooit wat gek hoor. Ik probeer altijd alles'.

Nog steeds wist Michels niet hoe hij met Cruijff moest omgaan. Grunwald schreef voor de coach een nuttige gebruiksaanwijzing: “NIET IN DE CLINCH GAAN MET HEM. PRATEN VERMIJDEN'. Maar toen Grunwald vervolgens voorstelde om de rollenspellen met concentratieoefeningen te vervangen, was het geduld van Michels op en werd de psycholoog uit de kleedkamer gezet. “Ik voel vaak Michels negatieve reactie t.o. (van) mijn ideeën,' treurde Grunwald.

Het is vervolgens jammer dat De Galan zoals wel vaker in dit boek een schitterend verhaal afrondt met clichés: “Grunwald slaat de spijker op de kop: voor Michels is de maat vol.'

Na de eliminatie van Grunwald mocht Roelf Zeven Cruijff thuis ontvangen “voor een klassieke sessie op de divan'. Maar toen Cruijff bij Zeven aanbelde, was de psycholoog de afspraak vergeten. Zeven vroeg: “Wat doe jij hier?' Cruijff antwoordde in plat Amsterdams: “Dat vraag ik mij ook af.' Maar Cruijff ging zitten en “praatte meteen honderduit', vooral over zijn aanstaande schoonvader en manager Cor Coster. Een schoonvaderfixatie: de missing link in het werk van Freud.

Ook Piet Keizer was voor de huispsychologen een boeiend studieobject. Michels had hun gezegd: “Werkelijk - ik snap er de ballen van. Leg het mij maar uit, hoe hij in elkaar zit.' Grunwald kreeg Keizer op bezoek en noteerde vervolgens: “Identificeert zich nog steeds sterk met zijn ouders: die hadden nooit telefoon - hij heeft nu ook geen telefoon'. Later liet Michels Keizer door Zeven analyseren. Grunwald: “G(od).v(er).d(omme). Zeven gaat zich ermee bemoeien.'

In 1970 geeft Michels het op en wil hij de onhandelbare Keizer het liefst verkopen. Weer moeten Grunwald en Zeven een psychologisch profiel van Keizer schrijven. In een rapport stellen zij voor Keizer aanvoerder te maken en een soort psychologisch manager naast Michels aan te stellen. Het Ajax-bestuur vindt het voorstel echter nutteloos, en ontslaat Grunwald meteen. Hij blijkt geen cruciale schakel te zijn, want in de volgende drie seizoenen wint Ajax driemaal de Europacup. Ook konden de psychologen de gebrekkige omgangsvormen van Cruijff niet substantieel verbeteren. Deze bleven zijn hele carrière grotendeels intact.

Cruijff en geld hadden het gouden Ajax mogelijk gemaakt, en aan Cruijff en geld ging het kapot. Een Nederlands clubje kon de beste spelers ter wereld nu eenmaal niet genoeg betalen. De Galan vermeldt het salaris van elke Ajax-speler aan het begin van het seizoen 1973-'74, het toppunt van de roem. Cruijff verdiende 95.000 gulden, Keizer, Ruud Krol, Wim Suurbier, Jan Mulder en Johan Neeskens elk 50.000, en alle andere spelers nog minder. De inkomens waren “te vergelijken met die van een succesvolle middenstander'. Bovendien nam de Nederlandse fiscus destijds een flinke hap.

Het is merkwaardig dat de spelers zo lang met zo weinig tevreden waren. Pas nadat Cruijff naar Barcelona vertrok, lijken de anderen te hebben beseft dat ze niet aan Ajax gebonden waren. De Galan toont aan dat de Ajacieden - afgezien van Cruijff - niet de rebellen waren waar ze uiterlijk op leken. Nadat Michels in 1970 besloot om zich milder en ontspannener te gedragen, met minder boetes en lichtere trainingen, vroegen de spelers hem al gauw weer om de oude discipline te herstellen.

Het cliché dat ze “voetballende provo's' waren, kan na dit boek worden opgedoekt. De meeste spelers leken slechts één politiek standpunt te hebben: lagere belastingen. En hun dagelijks leven onder “de Generaal' Michels was duidelijk niet door de Maagdenhuisbezetting geïnspireerd. Zelfs de linkse bebaarde voorstopper Barry Hulshoff vertelt De Galan: “Topsport is puur rechts [] Dat is een van de interessante aspecten van Ajax in de jaren zestig: terwijl wij aan topsport gingen doen gingen de maatschappelijke krachten de andere kant op. Wij moesten iedere week prestaties leveren, wij waren in een concurrentiestrijd verwikkeld met medespelers. In de maatschappij kwam het antiprestatiemodel op.“

Pas na het vertrek van Michels begon er een “Amsterdamse lente' met democratische trekjes. In 1973 mochten de spelers hun aanvoerder kiezen. De meerderheid stemde op Keizer in plaats van op de ingezetene Cruijff. Dit bleek een blunder. Cruijff vluchtte naar Barcelona, het elftal stortte in, en een paar jaar later waren de meeste andere spelers ook geëmigreerd. Pas in 1995 won Ajax weer de Europacup, waarschijnlijk voor de allerlaatste keer.

Het werd tijd dat Nederlanders hun glorieuze voetbalverleden gingen opgraven. Dit boek is als het ware het kleine zusje van Auke Koks magistrale 1974. Wij waren de besten (2004) over het WK '74. Kok is de betere historicus; De Galan komt niet verder dan een wat obligaat tijdsbeeld (“haar over de oren; de jaren zeventig zijn begonnen').

Maar het boek van De Galan is actueler, omdat het Ajax van nu verstikt onder de erfenis van de gouden ploeg. Nog steeds eisen de fans (en de nieuwe stamvader Cruijff) dat Ajax Europees topvoetbal speelt. Dat is echter niet meer mogelijk. Michels en zijn Roemeense opvolger Stefan Kovacs konden acht jaar lang aan een briljante spelersgroep bouwen voordat die werd weggekocht. Maar in het huidige Europa zonder grenzen vertrekt een Ajax-speler zodra hij een internationale topper is geworden, zoals de Zweed Zlatan Ibrahimovic. Een voetballer die bij Ajax speelt is dus per definitie (nog) geen topper. Daardoor zijn Ajax-fans per definitie ontevreden. Daarom fluiten zij bepaalde spelers al voor de aftrap uit. Daarom voetballen veel Ajacieden als verlamd.

Een ander probleem: spelers uit de Ajax-jeugd zijn geneigd zichzelf wél Europese top te vinden, omdat Ajacieden dat vroeger nu eenmaal ook waren. Een nevengedachte is dat zij als geniale voetballers niet hard of sterk of zelfopofferend hoeven te zijn.

Inmiddels mogen ze hun zelfbeeld wel aanpassen. Sinds 2000 is geen enkele Nederlandse Ajacied naar een Europese topclub vertrokken. Rafael van der Vaart en Nigel de Jong moesten zich met Hamburger SV tevreden stellen. Pas als Ajax het verleden afsluit en zichzelf als een modaal Europees clubje leert te beschouwen, zal het beter gaan presteren. Intussen is het boek van De Galan leuker dan een wedstrijd in de Arena.

Menno de Galan: De trots van de wereld. Michels, Cruijff en het Gouden Ajax van 1964-1974. Bert Bakker, 377 blz. euro 17,95

Simon Kuper is auteur van “Football against the Enemy' en “ Ajax, the Dutch, the War. Football in Europe During the Second World War', allebei bij Orion verschenen.