Oliemaatschappijen zijn gewoon te groot

Is dan niets meer heilig? Een van de radicaalste ideeën waarover beleggers zich de laatste tijd enthousiast hebben getoond, is de gedachte dat de grote westerse oliemaatschappijen zouden moeten worden opgesplitst. In een bedrijfstak waarin omvang voordelen met zich meebrengt, grenst zoiets aan heiligschennis. Maar in feite is het idee zo gek nog niet.

Eenvoudig gezegd zijn de grote oliemaatschappijen gewoonweg te groot. De meeste combineren de opsporing en ontginning van olie- en gasvelden met raffinage en distributie, activiteiten die louter om historische redenen nog onder één dak plaatsvinden. De marktwaarde van Exxon, 370 miljard dollar (304 miljard euro), maakt het concern tot het grootste in de VS. BP neemt in zijn eentje bijna 10 procent van de FTSE 100 voor zijn rekening.

Weinig oliefunctionarissen geloven dat er echte voordelen voortvloeien uit het in één portefeuille houden van hun snel groeiende opsporingstak en hun langzaam groeiende raffinage- en marketingactiviteiten. Maar niemand heeft tot nu toe openlijk gesuggereerd dat ze uit elkaar getrokken zouden moeten worden. Het wordt tijd om dat wel te doen.

Dit behelst meer dan financiële tovenarij of een slim opzetje van een beursmakelaar - hoewel in het geval van BP huisbankier Cazenove meent dat een dergelijke opsplitsing zou leiden tot het verdwijnen van de conglomeraatkorting van 50 miljard dollar. Grotere specialisatie zou de aandacht van het management toespitsen, de doelmatigheid bevorderen en de transparantie verbeteren.

Zou Shell zijn voorradenprobleem hebben gehad als de opsporingstak een apart bestaan had gekend? Misschien niet. En een opsplitsing deed wonderen voor het oude British Gas. Sinds dat bedrijf werd losgemaakt van Lattice is de beurskoers van het olie- en gasconcern bijna verviervoudigd.

Er kunnen aarzelingen bestaan over het opofferen van nationale kampioenen op het altaar van de aandeelhouderswaarde. Maar zelfs na zo'n afsplitsing zou BP's divisie voor opsporing en ontwikkeling nog steeds zo'n 200 miljard euro waard zijn. En hoe succesvol is die status van nationale kampioen nu helemaal? Als het aankomt op het inschatten van de reserves in het buitenland, zoals in Rusland of Libië, kan het dubbeltje twee kanten op vallen: dat hangt af van de diplomatieke verstandhouding op dat moment.

Bovendien bieden dienstverlenende bedrijven voor de oliesector, zoals Schlumberger met zijn bewuste nationale neutraliteit, olieproducerende landen nagenoeg dezelfde technologie en projectmanagementvaardigheden die de grote oliemaatschappijen als hun unieke verkoopargument beschouwen.

Toch heeft de koers van Schlumberger die van BP met bijna 60 procent overtroffen sinds de start van de olieprijsverhogingen drie jaar geleden. Door te krimpen kunnen de grote oliemaatschappijen weer groeien.

Voor meer commentaar uit Londen: www.breakingviews.com. Vertaling Menno Grootveld