Leve de VVD

Er zijn nogal wat politicologen en bestuurskundigen die studie maken van het Nederlandse parlement. Ik heb de stellige indruk dat het oordeel van deze onderzoekers over de kwaliteit van parlementariërs samenhangt met het type Kameractiviteiten waar de onderzoeker zich op richt. Wetenschappers die zich bezighouden met parlementaire verantwoordingsprocessen ('Kamer roept minister op het matje!', 'Kamer eist opheldering!','Fractie zal dit aan de orde stellen tijdens het vragenuurtje!') zijn doorgaans nogal somber over het functioneren van de Tweede Kamer. Parlementariërs zouden hun oren te veel laten hangen naar de media, zij roepen ministers voor wissewasjes ter verantwoording en zetten een negatief oordeel te weinig om in echte sancties, zo menen veel van deze bestuurskundigen.

Onderzoekers die vooral kijken naar het parlement als medewetgever zijn veel positiever. Ik verdiep mij regelmatig in de parlementaire behandeling van allerlei wetsontwerpen in heden en verleden en ben vrijwel altijd onder de indruk van de kwaliteit van de gevoerde discussie. Als het gaat om wetgeving van een aantal jaren geleden, kun je opvallend vaak vaststellen dat Kamerleden de negatieve gevolgen of perverse effecten van een bepaalde wet toen al hebben voorzien. Niet zelden is het enige waar ik me over verbaas hoe men, na een zo goede discussie met zoveel steekhoudende argumenten tegen een bepaald beleid, toch maar meende vóór te moeten stemmen.

Het is ook altijd interessant te kijken van wie die goede argumenten afkomstig zijn. Vaak komen ze uit een onverwachte hoek waar de onderzoeker in haar rol van kiezer niet snel haar toevlucht zou zoeken.

Deze week boog ik mij over de voorgenomen wijzigingen in de Wet hoger onderwijs. Staatssecretaris Rutte wil het hoger onderwijs 'kantelen' van aanbodgestuurd naar vraaggestuurd en hij wil dat doen door studenten leerrechten te geven, acht coupons die elk recht geven op zes maanden hoger onderwijs. Met die coupons kunnen studenten ieder half jaar opnieuw besluiten waar zij gaan studeren. De financiering van de universiteiten wordt voor een groot deel 'student-volgend'. Opleidingen zullen dus echt hun best moeten doen studenten vast te houden, anders lopen zij na zes maanden over naar de concurrent.

De Kamercommissie Onderwijs sprak in februari over de plannen, nog voordat bureau Berenschot berekende dat invoering daarvan gepaard zou gaan met vele miljoenen euro's administratiekosten. Van wie waren de beste argumenten afkomstig? Niet van de PvdA-fractie, die een nogal uit de lucht gegrepen pleidooi hield voor een totaal nieuw systeem van studiefinanciering. Niet van de D66'ers, die eens in de zes maanden wisselen nog veel te weinig vonden en meenden dat studenten per module of zelfs per studiepunt zouden moeten kunnen switchen van universiteit. Niet van de CDA-fractie, die vooral uitweidde over de kwalijke kanten van het kermismodel (betalen per attractie of in dit geval: per zes maanden studie) vergeleken bij het Eftelingmodel (entree betalen bij de ingang en vervolgens naar hartelust rondkijken in alle sprookjesrijken die de wereld van de wetenschap te bieden heeft). Niet van de SP-fractie, ofschoon die behartenswaardige kanttekeningen plaatste bij de voorgenomen marktwerking en bij de daaruit voortvloeiende administratieve regeldruk.

Veruit de intelligentste bijdragen waren afkomstig van de VVD-leden in de commissie. Zij wezen erop dat bij een te sterk vraaggericht systeem bepaalde studies uit de markt geduwd kunnen worden en vroegen hoe het kabinet minder populaire, maar maatschappelijk relevante studies in stand wilde houden.

Zij vonden het idee van elke zes maanden wisselen pedagogisch-didactisch onjuist, omdat studenten bij het moment van studiekeuze goed moeten nadenken en niet elk half jaar van idee zouden moeten veranderen. Tussentijds wisselen hoort een noodgreep te zijn en niet een houding die van overheidswege gestimuleerd gaat worden, aldus de leden van de VVD-fractie.

Helder en overtuigend legden de VVD'ers aan Rutte uit dat een studie niet een stapeling is van losse modules en dat ook niet moet worden. 'In de voorgestelde situatie lijkt het risico te bestaan dat studies worden 'opgeknipt' in losse eenheden en per (populaire) module aan de student worden aangeboden.'

Ten slotte hekelden de VVD'ers de algemene gedachte achter het wetsvoorstel. Ik citeer: 'Deelt de regering de mening van deze leden dat het hoger onderwijs niet één op één te vergelijken is met commerciële producten, vooral door de leerling-meester-verhouding die wezenlijk anders is dan de verhouding tussen consument en aanbieder? De erkenning van dit verschil heeft consequenties voor de organisatie van het aanbod. De kanteling van aanbod naar vraag en de bijbehorende commercialisering van het hoger onderwijs zijn niet ongelimiteerd.'

Vermoedelijk zal de VVD-fractie uiteindelijk akkoord gaan met dit wetsvoorstel, zeker nu de bedenker ervan gepromoveerd is tot politiek leider van de liberalen. Tegen die tijd zal ik bittere woorden spreken over de kortzichtigheid van politici. Maar voor dit moment gaan mijn dankbaarheid en sympathie uit naar de VVD-leden van de commissie Onderwijs.

Blok, Balemans, Aptroot, Visser en Van Miltenburg: Het is gezien. Het is niet onopgemerkt gebleven.