Laatste saluut aan de canon

Een echte canon is geen overzicht van weetjes, maar een wereldbeschouwing en een gedeeld interpretatiekader. Zo'n canon laat zich niet afdwingen. De lijstjes met kale feiten die tegenwoordig veelvuldig opduiken, zijn vooral stervensbegeleiding.

Jongen kijkt in de loop van een kanon tijdens een open dag van het Indiaase leger Foto Reuters An Indian boy looks through a barrel of a cannon during an exhibition organised by the Indian army in the northern city of Jammu January 6, 2006. The three-day long exhibition is held to increase interest among youths to join the Indian Army, an army official said on Friday. REUTERS/Amit Gupta REUTERS

Toen ik in het begin van de jaren zestig op het Stedelijk Gymnasium in Breda zat, was het ons volstrekt duidelijk wat de canon was. Dat waren de Grieken en de Romeinen. Aan de vaderlandse geschiedenis werd nog wat gedaan als er tijd over was. De Hertog van Alva deugde niet en de Gouden Eeuw was een bloeitijd. Verder dan de Franse Revolutie zijn we nooit gekomen. Niemand vertelde ons dat Homerus, Plato en Livius de canon vertegenwoordigden. Het C-woord was in die tijd nauwelijks bekend. De Grieken en Romeinen waren “het' gewoon. Onze leraren hielden ons voor dat wij blij moesten zijn dat we met de klassieken kennis mochten maken. Buiten liepen de beklagenswaardige “hoi polloi' (“de velen') die daar geen weet van hadden. Onze leraar Grieks placht daarbij met een priemende vinger in de richting van de Nassausingel te wijzen. Daar liepen de barbaren die dachten dat Homerus een bromfietsmerk was.

De canon was een statuskenmerk, een hoeveelheid kennis, en een klein aantal pakkende verhalen en episoden die betekenis voor ons hadden, zoals de apologie van Socrates en de reisverhalen van de listige Odysseus. Dat laatste was waarschijnlijk het enige dat er echt toe deed. Maar de canon van de oudheid had voor ons niet meer de betekenis die hij voor de geletterde Europeanen van de negentiende eeuw nog had gehad. Thorbecke meende bijvoorbeeld dat de toekomstige politieke elite de Latijnse School diende te bezoeken, omdat kennis van de Griekse en Romeinse geschiedschrijvers nodig was voor een juist begrip van het staatsbestuur. In de tweede helft van de 20ste eeuw lag dat minder voor de hand. Onze canon was daarom nog maar gedeeltelijk een levende traditie.

Daarmee kom ik tot de kern van de zaak, en tevens tot de voornaamste misvatting die het huidige canon-debat beheerst. Een canon is geen lijstje weetjes en ook geen verplichte literatuurlijst. Een echte canon is zowel meer als minder dan dat. De christelijke canon is een goed voorbeeld: de kern ervan was de bijbel, een tekst die zijn enorme kracht ontleende aan de traditie van commentaren, uitleg en morele lessen die er omheen geweven was, en die door iedere generatie werd opgepakt, opnieuw geïnterpreteerd en aangepast aan veranderende omstandigheden. Dat deze ene tekst zo'n vijftien eeuwen op die manier gefunctioneerd heeft, bewijst niet dat hij tot de canon moest behoren, maar eenvoudig dat hij de canon was. Het was de tekst waar iedereen die het leven en de maatschappij betekenis wilde geven aan refereerde. Dat is nu niet meer zo. Op het moment dat er klasjes bijbelkennis moeten worden georganiseerd om de bijbel “naar de mensen toe te communiceren', weet je één ding zeker: de christelijke canon is in de terminale fase.

Moderne consument

In dit licht gezien, houdt het handzame boekje De canons het midden tussen een blauwdruk voor onderwijsprogramma's en een verdienstelijke poging tot stervensbegeleiding. Het bevat vijf canons die de volgende gebieden bestrijken: de Nederlandse geschiedenis (door Herman Beliën en Paul Knevel), de wereldgeschiedenis (door H. L. Wesseling), de Nederlandse letteren (door Marita Mathijsen, Herman Pleij en Thomas Vaessens), de filosofie (door René Gude en Daan Roovers), en tenslotte de moderne wetenschap (door Klaas van Berkel). Alle auteurs hebben hun best gedaan om in een zeer kort bestek (140 pagina's voor het hele boekje, chapeau!) neer te zetten wat zij essentieel vinden voor hun thema. Hun canons zijn bedoeld voor de ontwikkelde burger. “Wat iedereen wil weten over geschiedenis, literatuur, filosofie en wetenschap' luidt de ondertitel van het boekje. Had daar trouwens niet behoren te staan “wat iedereen moet weten'? De inzet van het canondebat was toch dat veel te veel burgers, vooral jeugdige burgers, niet altijd de juiste dingen willen weten? Dat ze wel op de hoogte zijn van Madonna en Shakira, maar niet van Balthasar Geraerds en Arnoud de Dikke? Maar goed, de uitgever is er waarschijnlijk vanuit gegaan dat de moderne consument niet graag te horen krijgt dat er iets moet. Het is overigens duidelijk genoeg dat de auteurs vooral het middelbaar onderwijs op het oog hebben. Hun teksten zijn te lezen als beknopte schetsen voor een onderwijsprogramma. Laten we ze om te beginnen eens in dat licht beoordelen. Zouden ze de basis kunnen vormen voor goed onderwijs? Zijn ze in overeenstemming met de stand van het wetenschappelijk onderzoek?

De canon Nederlandse geschiedenis is tamelijk traditioneel opgezet, met een enkele vrouw en allochtoon die er wat los bij bungelen. Mijn voornaamste bezwaar is het anachronistische terug projecteren van “Nederland' tot in de Romeinse tijd. Zoals veel Europese naties is het Nederland dat wij kennen een product van de 16de en de 17de eeuw. De ideologie dat naties er altijd al waren noemen historici tegenwoordig een “invented tradition'. Het zou beter zijn dat duidelijk te laten zien. Laat leerlingen maar nadenken over de vraag waarom deze rivierdelta een aparte natie is geworden. Vragen leren stellen is tenslotte de essentie van kennis. Over de canon wereldgeschiedenis kan ik kort zijn: de enige vraag die hij oproept is hoe iemand op het idéé kan komen dat dit een canon van de wereldgeschiedenis is. Het is een klassiek overzicht van de Europees-westerse geschiedenis, waarin de rest van de wereld voornamelijk opduikt wanneer Europeanen er een stuk van “ontdekken' of koloniseren. Voor de vorm wordt China aan het begin even genoemd, maar daarna verdwijnt het uit het verhaal om in de 20ste eeuw nog één keer terug te komen. Maar de val van het Chinese keizerrijk in 1911 wordt niet eens vermeld. Andere delen van de wereld lijken in het geheel geen eigen geschiedenis te hebben. Gemeten aan het international bloeiende onderzoek op het terrein van de wereldgeschiedenis, is deze canon een grote stap achteruit.

De literaire canon geeft vervolgens een klassiek overzicht van de Nederlandse letteren (waaronder een enkele Vlaming), van Karel ende Elegast tot A.F.Th. van der Heijden. De auteurs gewagen van vijftig boeken die alle Nederlanders gelezen zouden moeten hebben. De toenemende rol van vertaalde romans, ook van buiten de Europese cultuurkring, vonden zij helaas geen vermelding waard, terwijl deze toch het leesgedrag in de laatste decennia ingrijpend veranderd heeft. De twee laatste canons zijn niet nationaal opgezet. Dat zou ook moeilijk kunnen want filosofie en wetenschap kennen nauwelijks eigen Nederlandse tradities. De filosofische canon is de klassiek Europees-westerse, als we voorbij gaan aan de zeven regels gewijd aan de middeleeuwse Arabische filosofie. Het zou aardig zijn geweest als de auteurs geprobeerd hadden iets te zeggen over het confucianisme en de andere filosofische scholen in het antieke China, of bijvoorbeeld iets over India en Iran. Afgezien daarvan is het een zinnige leiddraad (maar Sophie's wereld is onderhoudender!). De vijfde en laatste canon behandelt de moderne wetenschap, van Copernicus via Bacon, Newton, de 18de-eeuwse Encyclopedisten, Darwin, Einstein en Planck tot aan de hedendaagse genetica en astrofysica. Het gaat bijna uitsluitend over de natuurwetenschappen, onderbroken door een zeer korte paragraaf over de geesteswetenschappen. Van die laatste hoeft de hedendaagse burger kennelijk niet zoveel te weten.

Vragen stellen

Als aanzet tot discussie is een boekje als dit natuurlijk altijd nuttig. Maar het is de vraag of er verder veel mee te doen is. Een echte canon kan niet kunstmatig gemaakt worden. Met louter pedagogische middelen laat zich geen wereldbeschouwing decreteren. De kern van een canon is niet een hoeveelheid kennis, maar een gedeeld interpretatiekader dat nieuwe kennis kan opnemen en er betekenis aan kan geven. Een levende canon is toekomstgericht. Van de vijf canons die hier bijeen gebracht zijn, maken volgens mij die van de filosofie en de wetenschap de meeste kans, omdat ze aansluiten bij de voortgaande vakbeoefening en een goed beginpunt geven voor wie zelf verder wil denken. Dat komt omdat de natuurwetenschappelijke canon tamelijk onomstreden is (afgezien van de conflicten over het darwinisme in de Verenigde Staten). De filosofische canon is dat iets minder, maar de aard van de filosofie brengt met zich mee dat het er eerder gaat om te leren vragen dan om een reeks namen en weetjes. Mensen die alles zeker weten zijn geen filosofen. Waar iemand precies begint met filosoferen is eigenlijk nogal bijkomstig.

Daarmee vergeleken hebben de canons van de Nederlandse geschiedenis en literatuur slechts ten dele een cognitieve inslag. Ze maken deel uit van de neo-nationale reactie op globalisering, immigratie en Europese integratie. Het gaat daarbij niet in de eerste plaats om kennis en zelfstandig denken, maar om morele bindingen en nationale identiteit. Het neo-nationalisme heeft thans de politieke wind mee, maar het is zeer de vraag of zich op zo'n defensieve reactie een levensvatbare canon laat bouwen. Dat geldt a fortiori voor de canon van de Europese geschiedenis die in dit boek onder de valse vlag van wereldgeschiedenis wordt gepresenteerd. Kennis van de Europese geschiedenis is zeker nuttig, maar de hedendaagse burger moet zich kunnen oriënteren in een globaliserende wereld, waarvan Europa al enkele eeuwen een integraal onderdeel is. Daarvoor bestaan zelfs al handboeken (bijvoorbeeld en in slechts 150 pagina's, Jürgen Osterhammel en Niels Petersson, Globalization. A Short History, Princeton 2005). Hier loopt De canons duidelijk achter op de wetenschappelijke ontwikkeling. Dat geldt helaas ook voor de canons van de Nederlandse geschiedenis en literatuur. De vernieuwende stromingen van de laatste decennia zijn daarin bijna geheel onzichtbaar. In dat opzicht zijn die canons conservatief in de klassieke betekenis van het woord: zij vatten samen wat geweest is, maar ze sluiten niet aan bij wat in onze eigen tijd de gemoederen beweegt. Ze missen, kortom, Sturm und Drang.

Siep Stuurman is hoogleraar Europese Geschiedenis aan de Erasmus Universiteit. Hij werkt samen met prof. Maria Grever en Dr. Kees Ribbens in het NWO-project “Paradoxes of Decanonization'.

Wilt u reageren? boeken@nrc.nl

Herman Beliën e.a.: De canons. Wat iedereen wil weten over geschiedenis, literatuur, filosofie, kunst en wetenschap. Bert Bakker, 154 blz. euro 9,95