Kafka

“Als men niet trouwt, begint men te drinken.“

Een citaat van Franz Kafka, waaruit blijkt dat hij niet zo wereldvreemd was als menigeen denkt. Kafka had ook zijn frivole kant, schreef ik in een vorige aflevering. Een drinker was hij niet, maar de zwakheid des vleses was hem verder maar al te zeer bekend.

“Zijn seksueel gedrag was even treurig als dat van alle mannen van zijn tijd en klasse“, schrijft zijn biograaf Ernst Pawel. “Hij heeft jarenlang heel geregeld bordelen bezocht, met gelegenheidsprostituees geslapen en vermoeide meisjes die wat wilden bijverdienen, opgepikt in slonzige nachtcafés zoals Trocadero, Eldorado of Londen.“

In brieven rept Kafka van tal van affaires, waarbij meisjes minachtend worden aangeduid als Weiber, “een woord“, aldus Pawel, “waarin zowel het collectieve dédain als de tegenstelling tussen de seksen doorklinkt.“

Toch ligt er soms een waas van diepe treurigheid over Kafka's beschrijvingen van deze seksuele ervaringen. In september 1908 schrijft hij een korte, hartverscheurende brief aan zijn vriend Max Brod. Hij is weer terug in Praag, nadat hij acht gelukkige dagen in het Bohemerwoud heeft doorgebracht. Hij voelt zich hulpeloos: “Niemand mag mij en ik niemand, maar het tweede is alleen het gevolg.“

Dan schrijft hij: “Zo diep in het ongeluk zonder verklaring ben ik allang niet geweest. Zolang ik lees, houd ik me daaraan vast, al is het ook helemaal niet bedoeld om ongelukkigen te helpen, maar verder moet ik zo dringend iemand zoeken die mij alleen maar vriendelijk aanraakt, dat ik gisteren met een hoer in een hotel was. Ze is te oud om nog melancholiek te zijn, alleen vindt ze het jammer, al verbaast het haar niet, dat je tegen hoeren niet zo lief bent als tegen iemand met wie je een verhouding hebt. Ik heb haar niet getroost, omdat ze mij ook niet getroost heeft.“

Ze is te oud om nog melancholiek te zijn.

Dat is zo'n prachtzin waarom je Kafka kunt blijven lezen, ook al moet je je soms in zijn egodocumenten een weg banen door duistere, ondoorgrondelijke passages. Daarnaast is er steeds weer die verbazingwekkende, genadeloze openhartigheid waarmee hij zichzelf analyseert. Hij zal weliswaar niet beseft hebben dat zijn brieven en dagboeken ooit zouden worden gepubliceerd, maar dat neemt niet weg dat hij bereid was zich tegenover goede vrienden in heel zijn zwakheid te tonen. In 1918, zes jaar voor zijn dood, schrijft hij aan Brod: “Gelijk heb je als je zegt dat het diepste wezen van het eigenlijke seksuele leven voor mij gesloten is; dat geloof ik ook.“

Voor Brod was dat “diepste wezen' allerminst gesloten, hij wist er alleen geen raad mee. Steeds weer, op het (onbedoeld) vermakelijke af, vroeg hij Kafka om advies inzake zijn vele buitenechtelijke affaires. Hij voelde wroeging en kon niet begrijpen dat een collega-schrijver als Franz Werfel zo gemakkelijk zei: “Alle liefde is eindig (...). Als het verval van de liefde intreedt, moet je weggaan (...) Alleen lege dagen zijn ondraaglijk.“

“Vluchtig' en “broederlijk-verraderlijk' noemde Kafka deze opmerkingen van Werfel. Kafka bestreed die ondraaglijkheid van de lege dagen uiteindelijk liever met schrijven dan met seks.