Humor is een humanisme

Valt er te lachen over moslims zonder hen te kwetsen, of zonder pedagogisch motief? Sinds de Deense cartoonzaak heeft het idee postgevat dat moslims niet om zichzelf kunnen lachen, laat staan om hun geloof, en dat het voor anderen zelfs een hachelijke zaak is om dat wel te doen. Verkramptheid en verbetenheid zijn aan beide kanten van de culturele kloof inmiddels het gevolg.

Vergeten wordt daarbij niet alleen de lange traditie van islamitische zelfspot - satires op wereldlijke heersers, imams en zelfs op de koran - maar ook dat humor niet hoeft samen te vallen met provoceren of beledigen vanuit een ideologisch of politiek doel. De meest geslaagde humor doet dat nu juist niet, maar weet de ogen te openen voor het absurde, het onverwachte, de kloof tussen droom en daad, kortom voor het onvolmaakte karakter van de condition humaine.. Humor is, met andere woorden, een humanisme.

Kort na de Deense cartoons is nu ook een Frans beeldverhaal verschenen waarin moslims, het geloof en de confrontatie met de westerse seculiere wereld centraal staan. In L'affaire du voile (“De hoofddoekjeskwestie') van tekenaar René Pétillon, komen allerlei relevante thema's uit het multiculturele theaterstuk aan bod - fundamentalisme, onderdrukking van vrouwen, de generatiekloof - maar het contrast met de cartoons kon niet groter zijn. Het verhaal is kritisch, maar gespeend van triomfantelijke retoriek of seculiere zendingsdrift. Pétillon (1945), die naam maakte in L'Echo des Savanes, Pilote en Fluide Glacial, maakte eerder een maatschappelijk en politiek getint album over de Corsicaanse kwestie, Enquête Corse (2000). Dit keer vertelt hij met de ingrediënten islam, sharia en banlieues vooral een menselijk verhaal, met een talent, en een zwierige tekenstijl, die passen in de beste Franse striptraditie.

L'affaire du voile verknoopt de speurtocht naar een vermist Frans meisje dat zou zijn toegetreden tot een salafistische groepering, met de rivaliteit tussen een gematigde en een fundamentalistische imam, en de liefde tussen dochter en zoon van die twee geestelijken. Spil van het verhaal is Pétillons beproefde detective-in-regenjas Jack Palmer, ingehuurd door de moeder van het verdwenen meisje. Hij duikt in de wereld van de buitenwijken, hangjongens-met-capuchon, islamitische kledingwinkels en geïmproviseerde moskeeën.

Humor is Pétillons onnadrukkelijke manier om duidelijk te maken dat het “multiculturele drama', dat hier vaak zo Germaans zwaar en onheilszwanger wordt aangezet, ook iets heeft van een zuidelijke komedie, of tragikomedie. ,,Kan ik er al uit komen?' vraagt een moslima benauwd vanuit een pashokje in de islamitische modezaak die Palmer bezoekt. ,,Er is nog een man in de winkel, mevrouw“, waarschuwt het winkelmeisje. Een andere middenstander belooft een boze klant die zijn gebedsmatje terugbrengt omdat het de richting van Mekka niet nauwkeurig genoeg aangeeft, een nieuw model “met GPS'. Palmer zelf moet in het islamitisch badhuis zijn gsm afgeven. ,,Is dat tegen de islam?“ vraagt hij angstig. ,,De vochtigheid is slecht voor ze“, antwoordt een bezoeker gelaten.

Maar de thematiek is bitter genoeg. Zo slaat Palmer een demonstratie gade van blijmoedig gehoofddoekte vrouwen die met militaire precisie wordt geleid - door mannen (,,Ze heeft u al antwoord gegeven“, zegt een bebaarde bewaker bars tegen Palmer als hij een van de vrouwen iets wil vragen na een duidelijk ingestudeerde lofzang op haar eigen keus de hoofddoek te dragen). In de moskee woedt een machtsstrijd met radicalen die het pand overnemen (,,Hé, Moutib, sinds wanneer ben jij radicaal?“ vraagt een jonge moslim plagerig aan een van de bezetters. ,,Aan zijn baard te zien zou ik zeggen: drie dagen“, antwoordt een ander vrolijk). Ook de confrontatie tussen de imams, met een bijrol van Franse ambtenaren die steeds wanhopiger proberen te bemiddelen, is zowel trefzeker als geestig verbeeld.

Opmerkelijk is dat de tekenaar aandacht besteedt aan twee thema's die hier vaak onderbelicht blijven in opiniestukken over de islam in Europa: de sterke nadruk op persoonlijke moraal onder bekeerde jonge moslims, als antwoord op hun onzekere en vaak marginale positie in de samenleving, en de diepe generatiekloof met hun traditionele - en vaak meer liberale - ouders. ,,Als je maar niet thuis komt met een grietje met een hoofddoek!“ bijt de echtgenote van de gematigde imam haar gesjochten zoon toe. ,,Zeg, we zijn hier niet bij de salafisten“, bromt die zoon op zijn beurt als zijn vader hem streng toespreekt dat hij werk moet zoeken.

Beide thema's komen samen in de heimelijke liefde tussen deze werkloze zoon van de imam en de dochter van diens salafistische tegenstrever. Uiteindelijk trouwen de twee, en lijkt de klassieke moraal van het verhaal: liefde overwint alles. Maar dan toch zeker niet zonder slag of stoot. ,,Dat kan nog wel even duren“, verzucht de echtgenote van de imam aan de keukentafel, terwijl haar man en diens salafistische rivaal achter gesloten deuren een heftig theologisch twistgesprek voeren.

L' affaire du voile is zo niet alleen een geslaagd beeldverhaal, maar ook een markant en scherp commentaar op de condition multiculturaliste - zonder te beledigen.

Pétillon: L'affaire du voile. Albin Michel, 45 blz. euro 12,50