Hoezo “quarantaine'?

Joost Zwagerman hield in deze bijlage een pleidooi voor meer actualiteit in de roman. Maar daarmee doet hij de literatuur tekort.

In zijn artikel “Tegen de literaire quarantaine' (Boeken, 17.02.06) roept Joost Zwagerman de Nederlandse schrijvers op eens over de drempels van de paar vierkante meter die ze bewonen heen te kijken, de ramen open te zetten en de frisse wind van de actualiteit in hun literaire belevingswereld toe te laten. Hij hekelt hun dichte ogen, hun verstopte oren, hun fundamentele desinteresse en onwil om het “dagelijks nieuws' een plaats te geven in hun werk.

Schrijft een participerender, van de dagelijkse realiteit doordrongener auteur “betere', levendiger, wezenlijker romans dan een naar binnen gekeerde schrijver die de gordijnen van zijn werkkamer gesloten houdt? Zwagermans antwoord zou vermoedelijk bevestigend zijn. Hij vraagt zich immers af hoe Nederlandse auteurs, in tegenstelling tot hun Amerikaanse collega's, achteloos voorbij kunnen gaan aan cruciale data uit hun contemporaine geschiedenis. Ónze 6 mei 2002 en 2 november 2004 zijn hún 9/11, scharniermomenten in een land waar veel aan het verschuiven is. Voorwaar een literaire bron van kaliber, lijkt hij te zeggen, doe er wat mee!

Meer dan een suggestie blijkt het niet te zijn. Zwagerman is namelijk tegelijkertijd, enigszins paradoxaal, van mening dat literatuur “niets moet', dat geen enkele schrijver verplicht moet worden tot een bepaalde poëtica of een bepaalde werkwijze. Toch kan een schrijver zich niet zo vrijblijvend en gemakkelijk opstellen in zijn werk. De lezer mag van een roman wel degelijk bepaalde verwachtingen koesteren en er zekere eisen aan stellen, al zijn het wellicht andere dan een direct commentaar op het “dagelijks nieuws'. De Weense schrijver Hermann Broch (1886-1951) betoogde dat de roman moest “blootleggen wat alleen de roman kan tonen'. Een roman diende precies dat onderdeel van het bestaan te belichten dat tot dan toe nog onbelicht was gebleven. Meer te weten komen, meer begrijpen - daar draaide het om.

De roman begeleidt de tijd. De roman stelt wezenlijke existentiële vragen aan de orde. Iedere tijd is anders en dus stelt de roman door de eeuwen heen andere vragen. Terwijl de mens in de werkelijkheid van het dagelijks leven streeft naar duidelijke grenzen, naar een scherpe scheiding tussen goed en kwaad, naar eenduidigheid en helderheid, biedt de roman een wereld zonder absolute waarheid. In de roman heerst ambiguïteit, er worden vragen gesteld, er is een veelheid van stemmen, van waarheden die elkaar tegenspreken.

Door de eeuwen heen werd het individu uitgangspunt van de roman. Het individuele perspectief is bij uitstek het kenmerk geworden van de Europese literatuur. In de roman vindt het individu de ruimte om vragen te stellen, twijfel te uiten en ambiguïteit op te roepen.

Als dit het brede tijdskader is waarbinnen, door de eeuwen heen, de relevantie van literatuur wordt gewogen, is de vraag naar het al dan niet aanwezig zijn van “literaire quarantaine' irrelevant. Nooit heeft iemand het zinnig geacht Flaubert, Tolstoj of Joyce langs de meetlat van “actualiteitsbesef' te leggen.

Ontvankelijkheid voor de waan van de dag, besef van actualiteit en verslaglegging daarvan zijn van geen enkel belang voor het karakter van wat literatuur kan en moet zijn. Integendeel. De Frans-Russische schrijfster Nathalie Sarraute heeft nooit precies beschreven wat de Russische Revolutie voor haar familie betekende (maar schreef wel Kindertijd); Hella S. Haasse heeft zich nooit direct uitgelaten over de Nederlandse politiek ten aanzien van voormalig Nederlands-Indië (maar schreef wel Sleuteloog); Geneviève Brisac heeft nooit verslag gedaan van de aanslagen van het Algerijnse bevrijdingsfront in Parijs (maar schreef wel Petite); en de Duitse auteur Judith Hermann houdt zich in haar tijdloze verhalen verre van associaties aan de val van de muur.

Dat is wat literatuur vermag en dat mogen we van haar verwachten. Literatuur bestaat uit oeuvres, niet uit afzonderlijke boeken. Literatuur gata over continuïteit. Een oeuvre wordt geschreven gedurende een mensenleven, met het oog op de toekomst en in dialoog met het verleden. Het bouwen aan een oeuvre is denken op de lange termijn. Door dat simpele feit al gaat iedere schrijver van een oeuvre radicaal in tegen de huidige tijdsgeest.

Onze samenleving is gefixeerd op het heden, op het hier en nu. Media geven bijna alleen aandacht aan wat jong is, aan wat nieuw is: de nieuwste film, het meest recente boek, de zojuist geopende expositie. De roman heeft alle recht van de wereld zich daaraan te onttrekken. Sterker nog, haar bestaansrecht is gebaseerd op tegenovergestelde principes: van duur, van continuïteit, van duiding, van samenhang. Haar plicht ligt elders. Een romanschrijver moet zich niet gedwongen voelen feitelijke gebeurtenissen te becommentariëren. Een roman hoeft niet te reageren op het “dagelijkse nieuws'.

Tegen de tijdsgeest in, tegen de vluchtigheid en uniformering in, dient de roman een originele en individuele stem te laten horen, die in dialoog is met haar voorgangers, die een historische, literaire context biedt voor de existentiële vragen die het domein zijn van de literatuur. Zij hoort een ruimte te bieden waarin onzekerheden hun plek hebben, waar hardop getwijfeld mag worden, waar niemand de waarheid in pacht heeft. Zij is een vrijplaats voor de onafhankelijke geest.