Hevig aanwezige toetsen

Wat is het wezen van poëzie? Het beste antwoord op die vraag vind ik nog altijd dat van S. Vestdijk in De glanzende kiemcel: “Het wezen der poëzie is daarin gelegen, dat poëzie geen proza is.' Ik denk dat hijzelf ook moest grinniken toen hij zijn dooddoener noteerde, maar er zat voor hem wel degelijk ook waarheid in. Hij vergeleek het gedicht met een kiemcel, waarvan de belangrijkste eigenschap is, dat zij vele mogelijkheden in zich heeft. Een roman is dan te vergelijken met een uitgegroeid organisme, meercellig, veel groter dan een gedicht, maar zonder de mogelijkheid nog tot iets anders uit te groeien. “Hieruit volgt dat de volgorde van poëzie éénzijdig gericht is: een gedicht heeft op zijn minst steeds de neiging om in proza uiteen te vloeien, zich met proza aan te vullen, of bij voorbeeld in de vorm van een “prozaparafrase' begrijpelijker en overzichtelijker te worden.'

Zo is het voor mijn gevoel ook met muziek. Het is net als poëzie een beweeglijk iets en het dringt voortdurend op verwoording aan, vaak van de dichterlijke soort. Muziek heeft op zijn minst steeds de neiging om in poëzie uiteen te vloeien, zou je met een variant op Vestdijk kunnen zeggen, en zich met poëzie aan te vullen of bij voorbeeld in de vorm van een “poëzieparafrase' begrijpelijker en overzichtelijker te worden. Zie de bloemlezing Het muzikaalste gedicht met “de mooiste gedichten over muziek uit Nederland en Vlaanderen'. Ze gaan over componisten, componistenlevens, muziekstukken, instrumenten, stemmen, concerten, over een voorval bij de muziekles vroeger of over muziek in supermarkten. Het zijn inderdaad gedichten óver muziek, over de buitenkant ervan, maar ze zijn zelf geen muziek. Het wezen der muziek is daarin gelegen, dat muziek geen poëzie is - zou je met een andere variant op Vestdijk kunnen zeggen.

Tussen al die anekdotische gedichten, bijna als proza te lezen en vlot door te bladeren, bleef ik twee keer stilstaan. Ik zag moeilijk te vatten regels, vreemde logica, rare vertraagde dictie. Ik was weer eens beland in de merkwaardige wereld van Hans Faverey. Hij dwingt een zeker ontzag af, zoals wanneer een hooggeplaatste het woord gaat nemen. Dat moet met zijn toon, zijn gevoel voor cadans, zijn kalme regelval te maken hebben. En tegelijk schiet ik er ook altijd meteen van in de lach. Hoor hem aan het begin van zijn betoog: “Een bal is in rust, of hij is, / bewegend, op zoek naar rust.' Zo is het maar net. Een wijs man! Het kan vriezen of dooien, dat is zo ongeveer wat hier staat. Dus we hebben al een dooddoener om mee te beginnen.

Dan volgt een waarheid als een koe: “De spiegel, tot de rand toe gevuld / met wat zich voordoet, herhaalt / zich ex improviso.' Het klinkt opnieuw gewichtig. Een formulering als “tot de rand toe gevuld' roept een zekere dreiging op, de spanning van de druppel die de emmer doet overlopen en een catastrofe zal veroorzaken - maar hier blijkt het alleen maar te gaan om een spiegel die, zoals alle spiegels, tot de rand toe gevuld is met de weerspiegeling van “wat zich voordoet'. Wat zou een spiegel anders moeten weerspiegelen en wie zou hij anders moeten herhalen dan zichzelf, of het nu is “ex improviso' (plotseling) of de hele dag door? Tot nu toe is er nog niets gebeurd. Dat geldt ook voor de daarop volgende, schijnbaar gewichtige nepconclusie: “schijn en wezen / hervinden elkaars evenwicht.' Dat is meestal zo, bij spiegels en spiegelbeelden.

De toon blijft bedachtzaam, als van een dominee. “De god die ik noem en niet noem', zo gaat hij verder. Het kan nog steeds een zwaarwichtig betoog worden, bij voorbeeld over de kwestie of de naam van het opperwezen wel of niet genoemd mag worden. De god “schijnt te zwichten en niet / te willen zwichten.' Opnieuw wordt er iets van dreiging gesuggereerd, maar opnieuw stelt het niets voor. Zo gaat het ook in de zin daarna: “de middag voorspelt niets / dan zichzelf.' Dan lijkt alsnog het geheim van het gedicht zich aan te dienen. Er duikt een mysterieus messing doosje op. “Het messing doosje / in de vensterbank bevat thans alles', we houden onze adem in, “maar van niets het meest.' Voor de vijfde keer op rij is er geen konijn uit de hoge hoed getoverd.

Tot nu toe had het gedicht in deze bloemlezing niets te zoeken, maar in de slotregel dient de muziek zich alsnog aan, in de vorm van het woord “toetsen'. Nog is een zinvolle afsluiting van dit loze gedicht mogelijk. Wat gaat er op de toetsen gespeeld worden? “De toetsen / echter, steeds heviger aanwezig, / zwijgen nu welluidender.' Met deze nieuwe lege dop eindigt het vers. Beter zes lege doppen dan een half ei, dat lijkt mij de humoristische bewering van dit gedicht te zijn. Zelden zal muziek zo hevig niet geklonken hebben. We zien de toetsen als het ware trillen in hun zwijgen. Aanzwellende stilte. En als je goed luistert, hoor je dat die stilte aan het einde nog “welluidender' is dan in het begin.

Ik moest er wel om lachen, om dit stille slot van een niet-muzikaal gedicht dat mij, temidden van al die andere gedichten over muziek, juist als een van de weinige zoiets als een muzikale ervaring had bezorgd. De betekenissen doen er niet toe, het is louter vorm: aanzwellen en weer afnemen, herhalen en variëren, spelen met verwachting en dreiging, aanspannen en ontspannen.

In de bloemlezing wordt bij het gedicht van Faverey verder geen toelichting gegeven. Toch is het misschien wel aardig om te weten dat het gedicht het laatste is uit een vijfdelige reeks met in de titel de naam van de zestiende-eeuwse Italiaanse componist Girolamo Cavazzoni. Ik verbeeld me nu dat je in de slotregels van het gedicht kunt horen dat het de muziek van Cavazzoni is die daar heel hevig niet gespeeld wordt.

Het muzikaalste gedicht. De mooiste gedichten over muziek uit Nederland en Vlaanderen. Samenstelling Toef Jaeger. Inleiding P.F. Thomése. Podium, 152 blz. euro 12,95.