Het voordeel van de schaar

Margaret Atwood, sinds lang kandidaat voor de Nobelprijs, waagt zich aan korte verhalen. Jacques Poulins road novel is eindelijk vertaald. Zowel in het Engels als in het Frans is de Canadese literatuur opmerkelijk vitaal.

Kasteel Frontenac in Québec-stad Foto Hemisphere Images Canada, Québec, la ville de Québec, le château Frontenac vu du Petit-Champlain HEMISPHERES_IMAGES

“Nadat hij was afgezet door de kikkers, lag Koning Boomstam troosteloos tussen de varens en dode bladeren op een korte afstand van de vijver. Hij had alleen maar energie genoeg gehad om tot daar te rollen: hij was zo lang Koning van de Vijver geweest dat hij helemaal met water verzadigd was.' Zo begint “King Log in Exile', een van de korte verhalen uit Margaret Atwoods nieuwe bundel The Tent. In de verte hoort Koning Boomstam het gejuich waarmee zijn opvolger, “de ervaren en efficiënte Koning Ooievaar' wordt begroet, en dan, “het leek maar een mini-seconde later - de gillen van angst en plonzen van paniek terwijl Koning Ooievaar zijn nieuwe onderdanen begint te spiezen en op te peuzelen.'

“King Log in Exile' is een bewerking van een ultrakort - één zin lang - verhaaltje van de 19de-eeuwse Amerikaanse cynicus Ambrose Bierce, “King Log and King Stork', dat op zijn beurt weer een bewerking is van een fabel van Aesopus met een sterk politieke lading: “Het Volk, dat ontevreden was met een democratische wetgever die niet meer stal dan ze hadden, koos een republikeins bewind, dat niet alleen alles stal wat ze hadden maar ook een schuldbekentenis eiste die werd gedekt door een hypotheek op hun hoop op de dood.'

Atwood geeft een eigentijdse draai aan deze politieke kritiek die des te scherper wordt door haar absurde humor. Wat heeft hij nou verkeerd gedaan, vraagt Koning Boomstam zich af. Niets. Oké, hij heeft ook helemaal niets goeds gedaan. En er was die kwestie van het handelsverdrag. “Had de vijver daar geen profijt van gehad? De export was scherp gestegen, met als voornaamste product kikkerbilletjes. Maar hij er was nooit direct bij betrokken geweest.' Koning Boomstam eindigt in ballingschap in Zwitserland, waar hij shitake-paddestoelen kweekt en aan zijn memoires werkt. Koning Ooievaar, ondertussen, heeft de kikkervisjes verkocht als seksslaven en de vijver drooggelegd om er onroerend goed te laten bouwen door projectontwikkelaars.

Prozagedichten

Met drie bladzijden is “King Log' een van de langere verhalen in The Tent, en het geeft een goede indruk van het merkwaardige genre dat Atwood in dit boekje beoefent, een kruising tussen fabel, mythe, droom, messcherp commentaar, sprookje en poëzie. De meeste stukken, “fictional essays' volgens de flaptekst, zijn niet langer dan een paar bladzijden; sommige beslaan maar een of twee alinea's. De beknoptheid van Bierce haalt Atwood nergens, maar het scheelt niet veel. Dat is merkwaardig, als je kijkt naar wat Atwood aan fictie heeft gepubliceerd in de laatste jaren. Alias Grace, The Blind Assassin, Oryx and Crake: almaar dikker en lijviger, was de tendens. Atwoods wat knullige tekeningen, waarmee het fraai vormgegeven werkje geïllustreerd is, geven een eerste hint: dit is een uiterst persoonlijk boek. Een tweede hint vinden we in de traditionele poëzie-layout van een tweetal vertellingen: misschien kunnen de “verhalen' in The Tent nog het beste worden gelezen als prozagedichten. Die benadering past ook het beste bij de tot hun essentie gereduceerde tekstjes: kaal, tot op het bot, en elk woord telt.

In het eerste verhaal, “Life Stories', wordt iets van Atwoods verlangen naar bondigheid blootgegeven. “Als je de verhalende lijn had gewild had je het eerder moeten vragen, toen ik nog alles wist en meer dan bereid was om het allemaal te vertellen. Dat was voordat ik de voordelen van de schaar ontdekte, de voordelen van lucifers,' zegt de verteller die aan haar levensverhaal werkt - het ontrafelen van dat levensverhaal. Knip, knip, steeds meer details gaan eraan, totdat er op het laatst alleen het woordje “Ik' overblijft. Een ander verhaal, één alinea, heeft als titel “No More Photos', en daar is alles wel zo'n beetje mee gezegd. In “Orphan Stories' benijdt de verteller wezen hun ondraaglijke lichtheid, het gebrek aan verleden, de vrijheid van de leegte, onbeperkte mogelijkheden. Het is een wrange vrijheid: “Wezen hebben slechte ervaringen: in schuren, in kelders, in auto's, in boshutten, in lege velden, in lege klaslokalen. Het is omdat ze zo verleidelijk zijn. Het is omdat ze zo beschadigd zijn. [...] Het is omdat ze zo erotisch zijn. Het is omdat niemand zal geloven wat ze zeggen.'

Het verlangen naar reductie, naar afwezigheid, lijkt hetzelfde verlangen dat Atwood haar LongPen deed uitvinden: een electronische gadget waarmee een schrijver op afstand boeken kan signeren, middels een computerprogramma en robotarm. (Overigens bleek ruim een week geleden bij de eerste publieke test dat de uitvinding nog niet helemaal naar behoren functioneert.) Veel van de verhalen in The Tent gaan over de problemen en verantwoordelijkheden die het gevolg zijn van het hebben van een “stem'. “Ik cultiveerde mijn stem, omdat het zonde zou zijn om zo'n gave te verspillen', zegt de verteller van “Voice'. “De stem bloeide. Mensen zeiden dat ik in mijn stem was gegroeid. Ik werd veelgevraagd, of liever, mijn stem werd veelgevraagd. We gingen overal samen naartoe.' Maar de stem, “als een onzichtbare vampier aan mijn keel vast', begint te verschrompelen, te rimpelen. Tot nu toe hoort alleen de verteller het. “Angst heeft zijn intrede gedaan, als een injectienaald vol ether, beklemmend wat in iemand anders het hart zou zijn.' In een ander verhaal besluit de verteller grootmoedig om “de jongeren' aan te moedigen. Als de heks van Hans en Grietje wenkt ze met haar knobbelige vinger: “Joehoe! Jongeren! Hiernaartoe!', wijzend naar het peperkoekhuisje van de zoete roem, “versierd met je naam in neonlicht'.

We vinden de vertellers in The Tent keer op keer in gesprek met stemmen zonder lichaam, stemmen uit flessen, of stemmen in hun eigen hoofd, voor zover die drie te onderscheiden zijn. Niet op onze hoede door Atwoods droge, absurdistische toon, kan haar kale benadering opeens gapende afgronden voor onze voeten openen, in verrassende perspectiefverschuivingen of door onverwachte filosofische diepgang. In “Bottle' blijkt de verteller te onderhandelen met een god over de arbeidsvoorwaarden die bij het profeet-zijn horen. Ze bedingt onsterfelijkheid, en krijgt een flesje:

-Dat kleine hoopje stof?

-Kijk beter.

-Oh. Ja. Glittert het altijd zo?

-Alleen aan het begin.

-Weet je zeker dat dit onsterfelijkheid is?

-Geloof me. Met een snufje van dit zul je altijd een stem hebben.

Sardonische toon

Achteloos, al te achteloos, en daarom des te dodelijker, brengt Atwood zaken als oorlogen (“small, medium and large payback events'), de positie van vrouwen, kolonialisme, het milieu en machtsmisbruik ter sprake, steeds op die sardonische toon. Maar meer dan in Atwoods andere fictie of poëzie gaat het hier over haar eigen rol als schrijver. In het titelverhaal zit de verteller in een papieren tent, en hoort het gejank van de mensen en de dingen in de wildernis daarbuiten steeds dichterbij komen. “Je springt te veel in het oog, je hebt jezelf in het oog springend gemaakt, jezelf verraden.' Dwangmatig bedekt ze iedere vierkante centimeter van de papieren muren van haar tent, die op een gevangenis begint te lijken, met woorden. Het is een illusie, weet de verteller, te denken dat je gekrabbel een soort wapenuitrusting is of een bescherming, “but you keep on writing anyway because what else can you do?'

In dit verhaaltje van vier bladzijden staat alles wat Atwood eerder, in boeken als Negotiating with the Dead. A Writer on Writing, in essays, in lezingen, gezegd heeft over haar schrijverschap. Alles wat ertoe doet, tenminste. En beknoptheid staat haar. Een enkel wat zwakker, “losse-pols' stukje in The Tent geeft de indruk dat Atwood ermee weg komt omdat ze een “stem' is, een literaire grootheid. Maar echte literaire grootheid, dat glitterende hoopje stof, is precies wat moet zijn gebruikt bij het schrijven van de rest van deze bundel.

Margaret Atwood: The Tent. Bloomsbury, 155 blz euro 14,99