Eindelijk plant de bever zich voort

Het gaat goed met de bevers in de Biesbosch.

Aangevreten wilgen vinden ze extra aantrekkelijk.

Foto Natura, Duncan Usher Natura

Na jaren kwakkelen gaat het eindelijk goed met de Nederlandse bever (Castor fiber). De dieren die sinds 1988 vanuit het stroomgebied van de Elbe in Oost-Duitsland in de Biesbosch zijn uitgezet, hebben zich nu pas volledig aangepast aan de Nederlandse omstandigheden. Een gebrek aan essentiële mineralen speelde de populatie bij haar voortplanting parten, ontdekte een team onder leiding van ecoloog Bart Nolet, werkzaam bij het Nederlands Instituut voor Ecologie in Nieuwersluis.

“Het heeft een aantal jaren gekost, maar nu heeft de bever geleerd hoe hij zich kan aanpassen aan de nieuwe omstandigheden“, zegt Nolet. Samen met de Wageningse ecoloog Ignas Heitkönig beschrijft hij het onderzoek in het komende nummer van het Nederlandstalige tijdschrift Zoogdier.

Nolet: “In het begin dachten we dat de verontreiniging een van de belangrijkste oorzaken was voor het achterblijven van de groei van de beverpopulatie in de Biesbosch. Met name cadmium stond onder verdenking, temeer omdat bij dassen in de uiterwaarden langs de Maas hoge concentraties cadmium in de nieren zijn aangetroffen in combinatie met een verondersteld voortplantingsprobleem. In bevers bleek het cadmiumniveau nog hoger dan in de dassen, dus de conclusie was snel getrokken.“

Te snel, blijkt nu. Nolet: “Langs de Mulde, een zijrivier van de Elbe, bleek de cadmiumvervuiling nog groter dan in de Biesbosch en desondanks doet de beverpopulatie het daar goed. Bevers kunnen er blijkbaar tegen. Bovendien nam het voortplantingssucces van de bevers in de Biesbosch in de loop der jaren steeds meer toe, en bij een effect van cadmiumvervuiling zou je juist het tegenovergestelde verwachten, want het metaal hoopt zich op in het lichaam.“

Nolet en zijn collega's van Wageningen Universiteit hebben nu overtuigend aangetoond dat het aanvankelijk geringe voortplantingssucces grotendeels een ondervoedingsprobleem was. Pas na jaren leerde de bever hoe dit te omzeilen. Nolet: “In het Elbegebied eten bevers veel kruiden, maar die staan er niet in de Biesbosch. Dat komt doordat men het waterpeil 's zomers kunstmatig hoog houdt, zodat er geen droogvallende zandplaten zijn waar deze kruiden kunnen kiemen. Als alternatief eten de bevers in de Biesbosch het hele jaar door wilgen. Wilgen zijn snelle groeiers die hun voedingsstoffen verdunnen. Met name het fosforgehalte is laag. We hebben uitgerekend dat zwangere bevervrouwtjes door het eten van alleen maar wilgen in de problemen komen. Ze krijgen te maken met een fosfortekort.“

Het is ook een kwestie van timing, zegt Nolet. Bevers paren normaal gesproken in januari, en dat deden ze ook in de Biesbosch, constateerde Nolet in het veld. Maar door het warmere voorjaar in Nederland lopen wilgenknoppen hier eerder uit dan in Oost-Duitsland. Dat is het verschil tussen een zeeklimaat en een landklimaat. Bovendien is het voorjaar in Nederland de laatste twintig jaar sneller warmer geworden dan in Centraal-Europa, waardoor het verschil in het moment van uitlopen is opgelopen van een week tot een maand. Nolet: “In uitlopende wilgen neemt de fosforconcentratie heel snel af. Daardoor missen de bevers in de Biesbosch de piek in essentiële voedingsstoffen, juist op het moment dat de fosforbehoefte het hoogst is.“

Het lijkt erop dat de Biesbosch-bevers na verloop van tijd hun paringstijdstip hebben vervroegd, aldus Nolet. Maar helemaal zeker is hij er niet van, omdat hij niet meer zoals vroeger dagelijks in het veld is om het gedrag van de dieren te observeren. Daarnaast kunnen bevers hun leefomgeving zelf beïnvloeden, door het bouwen van dammen (zeldzaam in de Biesbosch), maar ook door het beknagen van planten. Nolet: “Beknaagde wilgen lopen later uit en bevatten hogere concentraties fosfor. Aangevreten wilgen investeren echt in groei en bevatten daardoor minder fenolen, antivraatstoffen. In ons onderzoek hebben we laten zien dat bevers aangevreten wilgen extra aantrekkelijk vinden.“

Nolet concludeert dat het nu definitief goed gaat met de Nederlandse bever. “De sterfte onder bevers in de Biesbosch was na een paar jaar al op een normaal niveau, en nu is de voortplanting ook weer helemaal op schema. Je ziet ook dat de dieren vanuit de Biesbosch langzaam uitbreiden naar de grote rivieren.“

Wetenschappelijk artikel gratis te downloaden via: http://www.blackwell-synergy.com/toc/oik/111/3