Een Turkse feministe is voor even priester

De woorden van de journaliste raakten me als een linkse directe. Ik had me juist beklaagd dat Turkse journalisten nooit naar landen als Nederland komen om daar straatreportages te maken. 'Als jullie ons willen begrijpen', zei ik, 'moet je niet met politici praten maar met 'gewone' mensen.'

Ik had de woorden nog niet uitgesproken, toen de Turkse journaliste haar hand in de lucht stak. Uitgebreid begon ze te vertellen hoeveel moeite het haar had gekost een visum voor Nederland te krijgen en hoeveel malen ze van het kastje naar de muur was gestuurd. Ik luisterde en opeens drong een gruwelijke waarheid zich aan mij op: zolang Europa zich afschermt met visummuren zullen Turken nooit echt proberen ons te begrijpen.

Door de muur die we zo om ons heen bouwen worden 'Wij' de Absolute Ander. Je haat de ander of je bewondert hem, maar je ziet hem niet als een mens zoals jijzelf, dus je zult nooit echt proberen tot hem door te dringen. Ik zal de Turkse journaliste altijd dankbaar zijn dat ze mij tot dit inzicht bracht.

Bovenstaand gesprek was niet het enige fascinerende moment tijdens het seminar dat ik voor een groep Turkse journalisten mocht geven aan de beroemde Bogazici-universiteit in Istanbul. Omdat ik steeds vaker het gevoel heb dat Turkije en Europa elkaar niet begrijpen had ik het thema 'identiteit' uitgekozen: ik wilde met de Turkse deelnemers bespreken hoe je als journalist door je geloof, afkomst en dergelijke een bril draagt waar je de realiteit mee bekijkt. Als je je bewust wordt van die bril, kun je de ander beter begrijpen, was mijn ietwat idealistische boodschap.

Aanvankelijk ging het goed. Ik stond uitgebreid stil bij een artikel dat de krant Hürriyet had gepubliceerd over popster Elton John. Het stuk was meer dan smalend over het (homo)huwelijk van de popster met zijn partner. Hürriyet had een montagefoto gemaakt waarin het gezicht van Elton John schuilging achter een kuise sluier. De popster [die een huwelijk met een vrouw achter de rug heeft, red.] was jaren geleden bruidegom, schreef Hürriyet smalend, nu is hij bruid.

'Hoe kun je als journalist zoiets schrijven?', smeet ik de zaal in. 'Of je van homo's houdt of niet, feit is dat het homo-huwelijk in Europa een belangrijke nieuwe ontwikkeling is. Je moet zoiets proberen te begrijpen, niet veroordelen.'

Tot mijn grote vreugde was de hele zaal het met mij eens. Opeens kreeg ik een ingeving: was het artikel geschreven, zo vroeg ik aan iemand die voor de Hürriyet werkt, door een man of een vrouw? 'Een man natuurlijk', fluisterde een journaliste op de eerste rij. 'Vrouwen schrijven zoiets niet.' Toen de journalist van de Hürriyet dat bevestigde, had ik een punt gescoord: je identiteit bepaalt voor een aanzienlijk gedeelte hoe en wat je schrijft. [Voor de goede orde: Hürriyet heeft postzakken vol met kwade brieven over het gewraakte stuk gehad, het is niet meer op hun internetsite te vinden.]

Maar de bal kaatste al snel terug. Gloedvol betoogde ik dat het fout was Europa een christelijke club te noemen. In Nederland is zo'n veertig procent van de bevolking inmiddels zonder geloof, voegde ik daar aan toe. 'En hoe verklaar je dit dan?', vroeg een jongen vanaf de achterste bank. 'Bij alle verdragen die Turkije met de Europese Unie heeft ondertekend, was er altijd een beeld van een christelijke heilige in de zaal waar de handtekening werd gezet.'

En weer kreeg ik een draai om mijn oren. Als liberale Europeaan zie ik beelden van heiligen nauwelijks, omdat ze geen rol spelen in mijn leven. Maar Turken, die zich vaak wegens hun moslim-identiteit gediscrimineerd voelen, zien dat anders: voor hen is een heiligenbeeld een symbool van een vijandige ideologie die hen buiten de Europese Unie wil houden. De jongen die de opmerking maakte, was volgens mij flink gelovig maar ook de seculiere dames op de voorste rij knikten van harte 'ja' toen hij aan het woord was. Ik kon alleen maar concluderen dat ik nog eens diep moest nadenken over mijn eigen liberale bril. Als ik weer een heiligenbeeld zie, nam ik mij voor, ga ik er als een Turk naar kijken.

Omdat zowel de aanwezigen als ik om de beurt een punt scoorden, werd de sfeer op het seminar uiterst vriendschappelijk en gezellig. Het hoogtepunt was een rollenspel dat ik had bedacht: drie Turken en drie European moesten praten over de crisis tussen 'Brussel' en Ankara. Een uiterst seculiere Turkse dame koos ik voor de rol van de gelovige premier Erdogan. 'Hoe gaat het met uw echtgenote Emine', vroeg ik, in een door iedereen begrepen verwijzing naar de discussie over Elton John. Een uiterst masculiene Turk liet ik in de huid van een Europese feministe kruipen en een Turkse feministe toverde ik om tot katholieke priester. Vaak bleef het stil als de zaal of ik een vraag stelde want, geef toe, voor een Turkse feministe valt het niet mee om als een katholieke priester te denken. Maar in de loop van het spel ging het steeds beter.

En zo kregen we in ons spel iets voor elkaar wat nog geen Turk gelukt is: het hoofd van het Turkse leger, Hilmi -zkök praatte met de manager van de Koerdisch-extremistische Roj-tv. Sterker nog: beiden luisterden naar elkaar en probeerden op elkaars argumenten in te gaan. Zo verliet ik de zaal uiteindelijk met opgeheven hoofd: je identiteit is nooit absoluut, je kunt door een goed gesprek altijd proberen de ander beter te begrijpen.