Een appel stelen

Ik ben weer eens stom geweest, ontzettend stom. Zoals altijd had ik mijn boterhammen weggegooid die ik voor de lunch mee naar school had genomen. Ik houd namelijk niet van oud brood en kaas.

De appel die Michel wilde terugleggen

Alleen om mijn moeder een plezier te doen nam ik die vier sneetjes mee, om ze op school als een basketbalspeler in de prullenmand te werpen. Maar nu had ik ineens reuze honger. Mijn maag knorde als een spinnend katertje.

Gelukkig zag Freek, de nieuwe jongen in mijn klas, hoe ellendig ik me voelde. “Ik krijg nooit brood mee en daarom zorg ik voor mijn eigen eten“, zei hij stoer. “Kom maar mee.“

We liepen een straat in waar de groentewinkel was. Voor de etalage stonden allerlei kistjes met groente en fruit. Freek begon ineens te rennen en ik ging hem achterna. Toen hij langs de kistjes kwam, graaide hij er een appel uit. “Opschieten“, zei hij, “voordat de baas ons ziet.“ Toen we de straathoek om waren, stopte hij en at zijn appel op.

“Nu jij“, zei hij toen.

“Nu ik?“ vroeg ik.

“Ja, wie heeft er nou honger?“

“Bedoel je dat ik ook een appel moet stelen?“

“Je bent toch niet achterlijk?“

Omdat Freek zo goed kon voetballen en ik niet, durfde ik hem niet teleur te stellen. En ik wilde natuurlijk niet laf overkomen. Ik zuchtte dus drie keer en rende terug naar de groentewinkel. Net als Freek pakte ik een appel uit een kistje en rende door naar het schoolplein.

Maar voordat ik een hap uit mijn appel had genomen, begon het katertje in mijn maag nog meer te knorren. Niet van de honger maar van spijt, gewoon omdat ik een appel had gestolen. Ik dacht even na en besloot toen die mooie, grote en ongetwijfeld heel lekkere appel terug te leggen in het kistje.

Ik rende dus de straat weer in. Maar bij de groentewinkel, wist ik niet meer uit welk kistje die appel kwam. Ik aarzelde dus. En zoals altijd, duurde dat aarzelen iets te lang. Want terwijl mijn hand boven de kistjes zweefde, voelde ik ineens een andere hand die me in mijn nekvel greep. “Zo vuile dief, nu heb ik je“, zei een zware stem achter me. Het was de groenteman himself.

“Ik wil hem alleen maar terugleggen“, kermde ik.

“Hoezo terugleggen?“ schreeuwde de groenteman. “Je had hem toch nog niet betaald. Bovendien is het al de tweede die je vandaag hebt gestolen.“

De groenteman kneep nu nog harder in mijn nek en sleurde me mee de winkel in. “Eerst gaan we de politie bellen“, zei hij. “En dan je moeder.“

De groenteman pakte de telefoon, belde iemand en vertelde wat er was gebeurd. “En nu wachten tot ze er zijn.“

Hij wees me een krukje aan waarop ik moest zitten. Zelf ging hij achter de toonbank staan om nieuwe klanten te helpen. Af en toe keek hij even boos in mijn richting.

Ik moet ontsnappen, dacht ik. Want ik had echt geen zin in de gevangenis, omdat dan zou uitkomen dat ik mijn boterhammen nooit opat. Ik zag mijn boze moeder al voor me staan, zwaaiend met de deegroller.

Toen de groenteman bezig was een kilo peren te wegen, glipte ik de winkel uit. Ik hoorde hem nog schreeuwen, maar hij kwam niet achter me aan. Zijn klanten waren belangrijker voor hem.

Buiten was Freek nergens meer te bekennen. Hij speelde met andere jongens op het schoolplein. Toen ik hem riep deed hij net of hij me niet zag.

Sinds die middag heb ik nooit meer mijn boterhammen weggegooid. En als ik me naar voel, droom ik nog wel eens van de hand van de groenteman.