Meer kinderopvang: niet meer werk vrouw

Uitbreiding van voor- en naschoolse opvang leidt slechts tot een geringe toename van het aantal vrouwen dat werkt. Betere en goedkopere kinderopvang leidt er vooral toe dat ouders hun kinderen minder vaak door grootouders, buren of vrienden laten opvangen, maar vaker in de formele kinderopvang. Dat blijkt uit een studie van het Centraal Planbureau (CPB).

Het CPB berekende wat de gevolgen zouden zijn van de motie Van Aartsen/Bos. Deze motie werd in het najaar van 2005 aangenomen en verplicht scholen om voor leerlingen van half acht 's ochtends tot zes uur 's avonds kinderopvang te regelen. De fracties van PvdA en VVD pleitten destijds voor een uitbreiding van de kinderopvang om de arbeidsparticipatie van vrouwen en daarmee de economische groei te bevorderen.

In het gunstigste geval, dus als de nieuwe vormen van opvang veel beter aan de wensen van ouders voldoen, leidt de motie tot een toename van de arbeidsparticipatie van vrouwen met ongeveer 5 procent, berekent het CPB. Dit zou betekenen dat ongeveer drieduizend meer vrouwen gaan werken. 'Gezien de geringe invloed op de arbeidsparticipatie zijn ook de effecten voor de macro-economie beperkt', schrijft het CPB. De totale uitgaven aan buitenschoolse opvang voor ouders, overheid en werkgevers, zouden door de motie met maximaal 380 miljoen euro stijgen.