Energie voor Europa

Meer macht op energiegebied, dat is de wens van de voorzitter van de Europese Commissie, Barroso. Europa, dat vorig jaar noodgedwongen veel met zichzelf bezig was, werd begin dit jaar opgeschrikt door de machtspolitiek die de Russen met de gaskraan bedreven. Een ruzie over de gasprijs tussen de Russische leverancier Gazprom en Oekraïne resulteerde in het tijdelijk staken van de gastoevoer. En dat leidde ertoe dat niet alleen Oekraïne maar ook EU-lidstaten als Duitsland, Polen en de Baltische republieken zich er ineens bewust van werden hoe kwetsbaar ze zijn op energiegebied. Als Poetin kwaad wil, branden de fornuizen niet in Berlijn, Warschau of Riga. Voor Brussel was dit reden om te ontwaken uit de lethargie die daar was ontstaan na de mislukte grondwet en de groeistuipen van de uitbreiding. Een nieuw doel leek binnen handbereik: een Europees energiebeleid.

Hoe noodzakelijk het voor Europa ook is om een geloofwaardige tegenhanger te zijn van de grote energieleveranciers in de wereld, zo'n gemeenschappelijk Europees energiebeleid zal er voorlopig niet komen. Simpelweg omdat de grote lidstaten, of lidstaten met gas- of olievoorraden - zoals Nederland en Groot-Brittannië - hun nationale belangen te verdedigen hebben. De Poolse premier Kaczynski pleitte vorige week voor een 'energie-NAVO', waarin EU-lidstaten elkaar 'helpen' met energievoorraden. Dat klinkt plausibel en de voorgestelde solidariteit is aandoenlijk, maar de werkelijkheid is rauwer. En moet dat ook zijn. Als een Europees energiebeleid van de grond komt - als - dan betekent 'hulp met energievoorraden' dat voor elke kubieke meter Europees (lees: Nederlands of Brits) gas de marktprijs dient te worden betaald. Energiepolitiek is ook prijspolitiek. Kort gezegd: een gratis lunch bestaat niet.

Dit laat onverlet dat het energiebeleid van de afzonderlijke EU-lidstaten betere politieke afstemming en nauwere samenwerking verdient. Nederland, dat met zijn gasvoorraden een belangrijke energieleverancier is, lijkt dit te onderkennen. Regeringsadviseurs pleiten terecht voor het aanhalen van de betrekkingen met olie- en gasexporterende landen. Een doordachte energiepolitiek zou Nederland in Europees verband in een sleutelpositie plaatsen: die van bovenliggende partij. Dat kan van pas komen als met sterke partners als Gazprom moet worden onderhandeld. Het is duidelijk dat voor de Gasunie, waarin de staat en de oliemaatschappijen Shell en Esso participeren, een hoofdrol moet zijn weggelegd.

Een gemeenschappelijk Europees energiebeleid is een zaak van lange adem. Maar het kan zijn dat het er een keer van komt. Nederland kan zich hierop voorbereiden door nu al een krachtige energiepolitiek te voeren, die wellicht een keer voor Europa wordt ingezet. Mits daarmee de Nederlandse (gas)belangen niet worden geschaad. Het gaat om de verdeling van schaarse, dure goederen - olie en gas - waarmee per definitie macht wordt uitgeoefend.

Energie is macht en dus primair landspolitiek. De rest is bijzaak, waarin Brussel overigens heel goed ordening kan aanbrengen: een Europees debat over de noodzaak van kernenergie, betere aansluiting van nationale energienetten, terugdringing van schadelijke gassen uit centrales, en uitwisseling van informatie over energie en veiligheid binnen de EU.