Terar dum prosim

Piet Pols is 70 en hij was schipper bij de landmacht. Jawel, dan moet je bij de genie zijn, dat is zo'n veelzijdig wapen. Hoe veelzijdig precies kun je zien in het Geniemuseum in Vught, waar dezelfde Piet Pols je met genoegen zal rondleiden (“hier kijken we uit op de voormalige appèlplaats van het door de Duitsers gebouwde kamp voor politieke gevangenen“).

P.C.J. Pols (Zonnemaire, Z., 22 maart 1935) woont in Den Bosch. Nederland, Vught, 02-03-2006 Piet Pools, Oud Militair en vrijwilliger bij het Genie Museum PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS Cremers, Roger

Hij bracht zijn kindertijd door in Zierikzee en ging op zijn veertiende naar de Rijn- en Binnenvaartschool in Rotterdam. Daar ging het niet bepaald zachtzinnig toe. Daar had je stuurman Spaan die later zei: “Ik had altijd maar twee pedagogen tot mijn beschikking, mijn linkerhand en mijn rechterhand.“ Aan de rechter- had hij van de Rijnvaart een kromme vinger overgehouden. Om zich niet te bezeren als hij je een oorvijg gaf, streek hij die eerst even recht langs zijn broek. Dus je kon het zien aankomen.

Motordrijver en dekknecht op een patrouilleboot van Rijkswaterstaat in de Biesbosch, die toen nog geïsoleerd en leeg was, waar toen nog eb en vloed was. “Ik was zo lenig als een aap in die tijd.“

Hij werkte op de kolengestookte sleepboten van Muller in Dordrecht en op de Wilskracht uit Amsterdam. “Die zal intussen ook wel tot scheermesjes verwerkt zijn.“ En daarna tekende hij voor de marine.

Hij kwam bij de mijnopruimingsdienst en werd opgeleid tot duiker. Daarop stond een premie van vijfhonderd gulden. Daarvan gaf hij zijn moeder haar eerste wasmachine.

“Vanuit het duikbedrijf“, zegt hij, “kon je worden uitgeleend aan de varende vloot. Zo ben ik terechtgekomen op HM's Drenthe, een onderzeebootjager. Ik was drie maanden getrouwd, een zaterdagavond in Zierikzee, een telegram: direct terugkeren aan boord. Dat was in 1958.“

Naar de kop van Nieuw-Guinea. Oorlog, bijna-oorlog. Soekarno had de KPM genaast, onrechtmatig natuurlijk. Ze kwamen zo'n geroofd schip tegen en er werden schoten gelost op onze zoeklichten. Er ging een prijsbemanning aan boord en het schip werd opgebracht naar een onder Nederlands gezag staande haven. Dat hadden we toen terug, de ms Kasimbar.

Privé-omstandigheden. Hun eerste kindje stierf in de wieg. Zijn vrouw wou hem niet meer op zee. Vandaar: de genie. Van 1962 tot 1990.

Instructeur L.O.M. in Gorkum. Lichte Overgangsmiddelen. Het oversteken van waterpartijen, waarbij we onderscheid dienen te maken tussen de stille rivierovergang en de gewelddadige rivierovergang.

Na een reorganisatie naar de parate hap in Wezep, de 105 pontonplaatcompagnie, groepscommandant bij de chauffeurs. “Dan was je bijrijder op een wagen waar je zelf geen rijbewijs voor had. Daar hield je toezicht op onderhoud zonder dat je zelf een onderhoudscursus had gehad.“ Nou ja, wat dat betreft zijn alle legers van de wereld hetzelfde.

Overgeplaatst naar het corps Mobiele Colonnes van de BB, Bescherming Burgerbevolking. Sergeant-majoor. Maar formeel nog steeds als schipper op de lijst van de genie.

In de jaren zeventig terug aan boord. Allerlei vrachtvervoer voor het leger, waaronder het transport van munitie naar Vlieland. “Dan voer je onder bepaalde restricties. Je ging vóór bij het schutten van de sluis en je ging alléén die sluis in. Dat prikte nogal eens bij andere wachtenden.“

Tot slot, adjudant, als instructeur van de N.B.C.-school in Breda. Nucleaire, Biologische en Chemische oorlogsvoering. “Zo'n oorlog“, zegt hij, “kon je beter als soldaat meemaken dan als burger, want die weet helemáál niks.“

En dan opeens: “Ik denk dat ik een mooie titel heb voor uw artikel. Terar dum prosim. Het geeft niet dat ik verslijt, als ik maar van nut ben.“

“Hm“, zeg ik, “als dat voor mijn krant maar niet te hoog gegrepen is.“

Je voorbereiden op een oorlog om een oorlog te voorkomen. Dat is gelukt. Onze mobilisatiebestemmingen in de Noordduitse Laagvlakte zijn met de tijd vervluchtigd. Maar toegegeven: het nut van het huidige leger, met zijn vredesmissies her en der op de wereld, is tastbaarder.

En nu dat Geniemuseum. Hij is er vrijwel dagelijks. Het drijft op een stuk of twaalf vrijwilligers, allemaal (met uitzondering van één Vughtse timmerman) voormalige genisten. Schilderwerk, rondleidingen, de restauratie van oude boekwerken, van alles valt er te doen.

“Spreken jullie elkaar hier nog bij je rang aan?“ vraag ik.

“Hier noemen we elkaar bij de voornaam“, zegt hij. “Ook de oud-officieren, die trouwens allemaal in het bestuur zitten... ook de oud-generaal die onze voorzitter is, allemaal bij de voornaam.“

“Hier wordt niet gecommandeerd“, begrijp ik.

“Hier wordt verzocht“, zegt hij.

“Maar het verzoek van een meerdere is een bevel“, zeg ik. En als hij in de lach schiet: “Mijn vader was beroepsmilitair. Niet dat ik daar veel last van gehad heb... hij had alleen een vreselijk harde stem altijd.“

“Daar heb ik ook wel klachten over gehad“, zegt Piet Pols.

“Maar die afgrijselijke herrie aan boord... en je moest toch je instructies geven.“

Het museum zelf (koud, al jaren in de greep van een gestagneerde verbouwingsoperatie) uniformen, wapens, emblemen, zeskantplaten, schaalmodellen van fortificaties, enz. Ik maak aantekeningen bij een verzameling gasmaskers uit de Eerste Wereldoorlog (ook voor vrouwen, voor baby's, voor paarden en honden) en bij een vitrine met 47 verschillende blokjes tropisch hardhout (daarvan waren de herkenning en de toepassing een punt voor onze jongens van de genie in de Oost). Maar gaandeweg krijg ik meer en meer het gevoel dat deze spullen mijn aantekeningen niet nodig hebben.

In een museum verzamel je dingen die ouder zijn dan wij, of waarvan je in ieder geval hoopt dat ze ouder zullen worden. “In het museum“ dichtte Wislawa Szymborska: “de kroon heeft het hoofd overleefd. / De hand heeft van de handschoen verloren, / de rechterlaars gewonnen van de voet.“ Mooi hoor.

“Wat ouder' is een serie gesprekken met mensen die zeventig zijn.