Banken zijn de grootste saneerders

Als faillissement dreigt voor een bedrijf, strijden veel belangen om voorrang. Om te voorkomen dat banken vooral hun eigen belang nastreven, is toezicht vereist, stelt onderzoeker Luttikhuis.

Er komt - alweer - een grote hervorming van de Faillissementswet. Die wet zou tekortschieten in de bescherming van de belangen van schuldeisers en werknemers van bedrijven in financiële problemen. Maar om die belangen te beschermen, kan de overheid zich beter richten op de banken, stelt Karin Luttikhuis van de Universiteit van Tilburg, in een gisteren gepubliceerd onderzoek.

Banken voeren per jaar circa 24.000 bedrijfssaneringen door, zonder enig publiek toezicht. Bovendien zijn er aanwijzingen dat banken daarbij hun eigen belangen beter beschermen dan die van de andere schuldeisers of de werknemers. Banken saneren dus aanmerkelijk meer dan het aantal “saneringen' in de faillissementsprocedure: voortzetting van ondernemingen na faillissement, al dan niet met behoud van (alle) werknemers. In 2004 waren er maar 262 van deze zogenoemde doorstarts, blijkt uit het onderzoek dat Luttikhuis uitvoerde in samenwerking met het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Dat is 6,3 procent van het totaal aantal beëindigde faillissementen in dat jaar, in plaats van de 60 procent per jaar waar eerdere onderzoeken op uit kwamen.

Bovendien blijken bij deze doorstarts relatief weinig werknemers betrokken te zijn. Er werkten in 2004 ruim 5.300 werknemers, waarvan er bijna 3.000 meegingen naar het nieuwe bedrijf. Luttikhuis ziet geen grond voor de vrees dat de doorstart op grote schaal misbruikt wordt om de ontslagbescherming van werknemers te omzeilen. “Het maatschappelijk nut van de faillissementsprocedure is zwaar overschat, en dat van informele reorganisaties is onderschat“, zegt Luttikhuis. “Het is jammer dat er zoveel energie wordt besteed aan het verkeerde systeem. Alle aandacht gaat naar faillissement en surseance, maar daar is weinig te halen.“ Luttikhuis heeft het niet alleen over werknemers, maar ook over de positie van schuldeisers. Zij hoeven weinig te verwachten van de faillissementsprocedure. Driekwart van de failliete bedrijven heeft meer schulden dan baten, en maar bij 6 procent van alle faillissementen kregen de gewone crediteuren - dus niet de fiscus - nog iets van hun geld terug.

Volgens Luttikhuis moet het kabinet zich richten op toezicht op de saneringen door banken. “Je kan de banken niet hun eigen gang laten gaan. Zeker niet in deze tijd waarin toezicht, transparantie en rekenschap het uitgangspunt zijn. Bovendien hebben banken zoveel macht, je kan er niet vanuit gaan dat die vrijwillig het collectieve belang zullen nastreven als dit strijdt met hun eigen belang.“

Luttikhuis wijst erop dat deze informele reorganisaties voor banken beter uitpakken dan voor andere schuldeisers, of voor werknemers. In 70 tot 80 procent wordt vrijwel de hele schuld van de bank voldaan. Maar de “succesfactor' voor de maatschappij, zoals het uitblijven van gedwongen ontslagen, is aanzienlijk lager: 48 tot 61 procent. Een bank zal misschien niet haar uiterste best doen voor de hoogste opbrengst van de verkoop van activa, als de eigen vordering al veiliggesteld is. “Ik zeg niet dat het per se fout gaat bij de banken, maar de cijfers zijn een indicatie dat het beter kan.“

    • Elsje Jorritsma