Oorlog tegen Iran nog geen optie voor VS

De Verenigde Staten zetten Iran verbaal verder onder druk. Maar voorlopig worden alleen dollars ingezet om het land op andere gedachten te brengen.

Paul Pillar was de belangrijkste Amerikaanse inlichtingenfunctionaris voor het Midden-Oosten in de periode 2000-2005. Onlangs beschreef hij in het tijdschrift Foreign Affairs waarom de Amerikaanse regering in de aanloop van de oorlog in Irak zo'n verkeerd beeld had van het land dat men ging binnen vallen. De regering accepteerde alleen feiten van de inlichtingendiensten die oorlog rechtvaardigden, aldus Pillar - alle andere gegevens werden genegeerd.

Op een bijeenkomst in Washington werd Pillar vorige week gevraagd wat de gevolgen van het Iraakse debacle zijn voor het beleid over het nucleaire programma van Iran. 'Iedereen is er nu alert op dat we niet dezelfde fouten maken', zei Pillar. Maar de kwaliteit van de Amerikaanse inlichtingen over Iran is matig. 'Ik mag niet uit de school klappen - maar we weten héél weinig over Iran. We weten niet of Iran kernwapens probeert te maken. Het zou kunnen, het wordt gezegd. Maar we hebben het niet vastgesteld.'

De afgelopen jaren hebben Groot-Brittannië, Duitsland en Frankrijk vergeefs geprobeerd de controverse over het Iraanse nucleaire programma, begonnen in 2002, diplomatiek op te lossen. Iran zegt dat het programma zuiver civiel is; het Westen vertrouwt dat niet. De Veiligheidsraad van de Verenigde Naties probeert deze week op instigatie van de VS tot een consensus te komen over een dringende waarschuwing aan Iran; Rusland en China twijfelen echter nog.

Na een periode van relatieve kalmte voerden de VS vorige week de druk op Iran op. Vice-president Dick Cheney zei dat de internationale gemeenschap 'gewichtige consequenties' in petto heeft als Iran zijn uraniumverrijkingsprogramma niet stopzet. Later noemde minister van Buitenlandse Zaken Condoleezza Rice Iran de waarschijnlijk grootste bedreiging van de VS, een gevaar dat 'honderden malen' groter wordt als het land nucleaire wapens bezit. Verder is Iran de 'centrale bankier voor terrorisme' in het Midden-Oosten, zei Rice.

Het leek er even op dat de Amerikaanse regering alsnog zinspeelde op een reprise van 'Irak'. Er is steun voor. 'En nu Iran', schreef William Kristol, een van de intellectuele grondleggers van de oorlog in Irak, twee maanden terug in de conservatieve Weekly Standard. Ook senator John McCain, door de vrije val van Bush in de publieke opinie waarschijnlijk de invloedrijkste Amerikaanse politicus van dit moment, vindt militair ingrijpen gerechtvaardigd om te voorkomen dat Iran atoomwapens in zijn bezit krijgt.

Toch wordt de krasse taal van Cheney en Rice in diplomatieke kringen niet gezien als een voorbereiding op militaire actie. De nucleaire installaties van Iran zijn volgens militaire deskundigen moeilijk te raken, terwijl de gevolgen van een aanval (bijvoorbeeld stopzetting van de Iraanse olie-export) onaantrekkelijk zijn. 'Geen politicus wil dat de benzineprijs op drie dollar komt in een verkiezingsjaar', zei een diplomaat.

De opmerkingen van Cheney waren vooral bedoeld voor de zaal - hij sprak het American Israel Public Affairs Committee toe, de pro-Israëllobby die veel invloed op Capitol Hill heeft. En de woorden van Rice hadden volgens diplomaten het tactische doel om Rusland en China ervan te doordringen dat voor de VS sancties tegen Iran een minimumeis zijn .

Een uiteenzetting die onderminister van Buitenlandse Zaken voor Politieke Zaken Nicholas Burns vorige week woensdag aan de commissie Buitenlandse Zaken van het Huis gaf, laat zien wat los van de retoriek het echte beleid van de Amerikaanse regering is, zeggen deskundigen. Burns liet doorschemeren dat een militaire optie niet bestaat: hij vertelde dat het voor de VS 'een lange worsteling' zal worden, die zeker een generatie duurt, om Iran af te brengen van zijn nucleaire ambities en steun aan terreur. Het Amerikaanse plan is het Iraanse politieke establishment los te weken van de bevolking. Om 'verandering en hervorming' te bewerkstelligen wil de Amerikaanse regering de komende tijd 75 miljoen dollar in de oppositie investeren, aldus Burns. Op dit moment is daar 10 miljoen voor.

Het nieuwe geld is voor websites, weblogs, televisieomroepen en radio-uitzendingen die het westerse geluid moeten verspreiden. Ook zou geld moeten gaan naar lokale activisten en uitwisselingsprogramma's. In Irak, zo bleek vorig najaar, heeft sinds 2003 een soortgelijk programma gedraaid, waarbij een Amerikaans bedrijf van het Pentagon tientallen miljoenen dollars kreeg om in de media ruimte voor 'positief nieuws' te kopen over de Amerikaanse militaire aanwezigheid in het land.

William O. Beeman, hoogleraar en Iran-deskundige aan de Brown universiteit in Rhode Island, is sceptisch. 'De Amerikaanse regering realiseert zich niet hoe diep het wantrouwen in Iran ten opzichte van de VS is. De VS zijn in Iran het land dat in 1953 premier Mossadegh afzette, en daarna de corrupte sjah installeerde. De VS hebben geen krediet in Iran. Ook niet als ze geld meebrengen.'