Europese cinema durft niet te vernieuwen

Niet het klonen van het succes van de Amerikanen, maar het verwerven van fondsen is het probleem van de Europese cinema, meent Jeroen Stout.

Zolang alle cinefielen meehuilen met Joyce Roodnat, wordt het nooit meer wat met de Europese film. In de bijlage Opinie & Debat van 25 februari betoogt zij dat de Europese cinema van een tijgerin is veranderd in een straatkat. Nu is het bijna onmogelijk om het niet met haar eens te zijn. Maar haar artikel getuigt van een belegen 'vroeger was alles beter' mentaliteit. Visconti, Truffaut, Fassbinder, Kieslowski en natuurlijk (oh, grote meester!) Fellini. Wie verlangt niet terug naar die oude tijden? Ik niet. Hun werken zijn gemaakt, zijn te bekijken op dvd en af en toe in de bioscoop. De tijden zijn veranderd. Nieuwe tijden vragen om nieuwe films, gespeeld door nieuwe acteurs en gemaakt door nieuwe regisseurs.

Ook Roodnat geeft toe dat die nieuwe regisseurs er wel degelijk zijn. Roberto Benigni, Pedro Almodovar, Mike Leigh, Fatih Akin. Klaarblijkelijk heeft ze een hekel aan Von Trier. Zijn naam wordt niet genoemd. En dat geldt voor vele, vele andere regisseurs. Kaurismäki, de gebroeders Dardennes, Ozon, Medem, Tykwer etc.

Dat neemt niet weg dat film meer en meer een industrieel product is geworden. Daarin heeft zij natuurlijk gelijk. Bijna niemand ziet cinema nog als een kunstuiting. Alleen het woord al, CINEMA, is volledig uit de mode.

Maar wat is daarvan de oorzaak? Roodnat betoogt dat iedereen het succes van de Amerikanen probeert te klonen. Dat is een wel erg gemakkelijk antwoord. Het probleem is meer dat er anno 2006 vreselijk veel geld nodig is om een film te produceren. Wie in de Europese cinema aan de slag wil, heeft de steun nodig van talloze fondsen en producenten uit verschillende landen. (Let eens op hoeveel titels er voorafgaande aan een Europese film in beeld verschijnen. Het is lachwekkend.) Dat betekent maandenlang, zo niet jarenlang, lobbyen bij bejaarde mannen. Mannen die allemaal, net als Roodnat, terugverlangen naar de oude tijden van Fellini.

Een ander probleem is dat in de meeste Europese landen de televisie een belangrijke rol speelt bij de financiering van films. Nu lijkt de televisie een natuurlijke partner. Maar er gaapt een enorme kloof tussen het grote doek en het kleine scherm. Televisie heeft de neiging niet verder te kijken dan de landsgrenzen. In tegenstelling tot de artistieke film (de auteursfilm, kwetsbare film of welk label er ook aan wordt gehangen). Die wil zich juist graag internationaal manifesteren. Verder is de tv het massamedium bij uitstek. Dat geldt, helaas, niet voor de artistieke film. Gevolg is dat filmplannen te vaak worden afgewezen omdat ze 'ongeschikt zijn voor een breder publiek' of 'niet Nederlands genoeg'.

In Europa is een kaste ontstaan van producenten, filmbonzen en televisiebobo's. Onder het genot van goede wijn in de duurdere restaurants van Europa, beslissen zij welke films wel en welke niet worden gemaakt. Te vaak klagen zij over de positie van de Europese cinema, terwijl zij zelf die Europese cinema zijn. Maar klaarblijkelijk hebben ze zo weinig vertrouwen in hun eigen smaak, dat ze keer op keer projecten beoordelen op te gemakkelijke criteria. Liever een bekende regisseur met bekende acteurs, gebaseerd op een bestseller, dan een niet alledaags script in handen van een weerbarstige regisseur.

Natuurlijk zijn ook de Europese filmmakers zelf verantwoordelijk voor de misère. Al jaren komen de artistiek meest interessante films uit het Verre Oosten en Argentinië. Films die vaak met weinig geld worden gemaakt, maar wel getuigen van een eigenzinnige opvatting over film. Het is het beste bewijs dat geld alléén niet de oplossing is. Misschien dat ook de Europese filmmakers (en dan eerder acteurs en cameramannen dan regisseurs) te veel gehecht zijn geraakt aan een comfortabel leven, inclusief huisje en goede wijn.

Maar waarom horen we zo weinig van die Argentijnse en Aziatische films? Waarom worden ze zo slecht behandeld door distributeurs en bioscopen? En waarom is er geen filmprogramma bij de Nederlandse publieke omroep, dat ons van de nieuwste ontwikkelingen in filmland op de hoogte brengt? Het zijn de babyboomers van de Nederlandse en Europese film en televisie die daar een antwoord op kunnen geven. En het zijn dezelfde mensen die de financieringsstructuren van de Europese film zouden kunnen aanpakken.

Gezien haar uitweidingen over filmwichelaars zou het me niet verbazen als Joyce Roodnat het in ieder geval gedeeltelijk met mij eens is. Maar waarom gaat zij niet dieper in op de bovengenoemde problematiek? Een paar maanden geleden is op het Nederlands Filmfestival uitgebreid over dit onderwerp gediscussieerd. Nederlandse regisseurs en producenten hebben zich verenigd in de Pressiegroep Auteurs Film. Het zou een NRC-journalist toch niet al te veel moeite moeten kosten om de materie wat diepgravender te behandelen. Maar Roodnat kijkt liever voor de zoveelste keer naar La Dolce Vita.

Waarom maak ik mij zo druk? Het artikel van Roodnat is een bewerking, zo las ik in NRC Handelsblad, van een 'beschouwing ter gelegenheid van de Trans Europa Expres, een internationaal congres in Rome, georganiseerd door de Europese Commissie'. Als ze dat congres nou hadden gebruikt om te analyseren wat er mis is met de financieringsstructuren van de Europese film. Als ze daar nou eens hadden geprobeerd de problemen echt aan te pakken, in plaats van te blijven hangen in mooie woorden over het verleden en het droppen van een reeks 'bon mots'. Misschien dat het dan in de toekomst nog wat zou kunnen worden met die Europese cinema. Maar nee, filmbobo's vermijden moeilijke vragen. Je weet maar nooit of ze bij een herstructurering hun eigen baan verliezen, hun hypotheek op het spel zetten. Liever trekken ze, met Joyce Roodnat, een dvd uit de oude doos.

De Europese film is geen straatkat. Ze is een tijgerin op leeftijd, die niet durft te bijten uit angst haar gebit te verliezen.

www.nrc.nl/opinieArtikel Joyce Roodnat 'Van tijgerin tot straatkat: hoe de Europese cinema zijn ziel verkocht aan de filmwichelaars'

Jeroen Stout werkt als filmredacteur voor het radioprogramma Kunststof van NPS.