Zondag

Het was zo'n zondag waarop alles en iedereen in harmonie leek met zichzelf. De winterzon stond aan een strakblauwe hemel, en de kou was goed te verdragen als je, zoals de meeste wandelaars, aan de zonnige kant van de straat bleef - dé strategie voor het hele leven trouwens, maar daarover een andere keer.

Vóór mij liep een kleine, zwartharige man in een leren jack en een spijkerbroek, die pas mijn aandacht trok toen hij tegen een hem tegemoetkomende kennis joviaal over Ajax begon te praten. De mannen liepen elkaar in vertraagd tempo voorbij, terwijl ze hun gedachten uitwisselden.

'Nul-nul, toch mooi', zei de donkere man.

'Zeker tegen PSV', zei de ander.

Ze groetten en liepen weer snel door. We staken een dwarsstraat over en op dat moment maakte zich uit de deuropening van een cafetaria de plompe gestalte van een jongen van een jaar of zestien los. Hij droeg een muts en liep op gympen, terwijl hij in zijn linkerhand een sporttas en in zijn rechterhand een mobieltje vasthield. Zonder iets te zeggen ging hij naast de donkere man lopen.

Zwijgend liepen ze even naast elkaar, totdat de donkere man hem met een snelle blik opnam en zei: 'Wat is dat nou met jou? Jij hebt geen respect, totáál geen respect.'

De jongen zei niets terug. Hij bewoog zich uiterst moeizaam voort op zijn dikke, vormloze benen, alsof er in zijn kruis een schrijnende wond zat. De man versnelde zijn pas, terwijl hij half over zijn schouder zei: 'Ben je van plan om zó door te gaan? Nou, dat moet je vooral doen - dan zul je nog eens wat beleven.'

De woorden werden met een scherp Mokums accent uitgesproken, wat de agressieve lading nog versterkte. De man lag inmiddels een metertje voor op de jongen, die geen moeite deed hem bij te houden. Ze sloegen links een straat in.

'Wat wil je nou eigenlijk tegen me bewijzen?' kefte de man. Zijn schelle stem weergalmde tegen de gevels in de nauwe, zonloze straat.

Ik hoorde de jongen voor het eerst enkele gemompelde klanken uitstoten, maar ze waren niet te verstaan. Het klonk als het doffe gekreun van een dier dat belaagd wordt.

Een niet onknappe vrouw kwam uit een huis en liep naar haar auto, terwijl ze de man groette. Hij veranderde onmiddellijk zijn houding en toon. 'Goeiemiddag!' riep hij - weer die jovialiteit van daarnet.

Toen was hij weer alleen met de jongen. De man liep naar een huis, opende de deur met zijn sleutel en ging naar binnen, zonder de jongen aan te kijken. Toen de jongen hem schuchter volgde, draaide hij zich om en beet hem toe: 'Wat moet je nou? Daar heb ik helemaal geen zin in. Sodemieter op!' Hij duwde de jongen naar buiten en sloot de deur achter zich.

De jongen liep naar de overkant van het straatje en keek omhoog naar de eerste verdieping. Roerloos wachtte hij enkele minuten en liep toen naar de hoek. Daar zette hij zijn sporttas op de grond en begon te bellen. Ergens op de wereld kreeg iemand nu te horen: 'Mijn vader wil me niet binnenlaten, wat moet ik doen?'

En ja, wat zeg je dan tegen een jongen van een jaar of zestien?