Oordeel over Srebrenica was lastig geweest

Op een cruciaal punt van de aanklacht zou het vonnis tegen Milosevic nooit alle partijen hebben bevredigd, namelijk zijn mogelijke betrokkenheid bij de massamoorden na de inname van Srebrenica, meent Bob de Graaff.

De dood van de voormalige Servische leider Slobodan Milosevic in zijn Scheveningse gevangeniscel zal het rechtsgevoel van weinigen bevredigen. In jaarverslag na jaarverslag geeft het Joegoslavië-tribunaal aan dat het wil bijdragen aan verzoening in voormalig Joegoslavië.

Dat Milosevic nu de geschiedenisboeken ingaat als aangeklaagde en niet als veroordeelde lijkt het beginnen met een schone lei in de weg te staan. Het is echter de vraag of, als het inderdaad tot een veroordeling van Milosevic was gekomen, die verzoening er wel was gekomen. In feite verlost zijn dood de aanklagers en berechters van Milosevic van een grote verlegenheid.

Met aan redelijkheid grenzende waarschijnlijkheid zou het Tribunaal Milosevic hebben veroordeeld tot een langdurige gevangenisstraf. Op een cruciaal punt van de aanklacht zou zijn vonnis echter nooit alle partijen kunnen hebben bevredigen, namelijk zijn mogelijke betrokkenheid bij de massamoorden die volgden na de inname van het zogeheten veilige gebied Srebrenica.

Her en der was er verbazing toen hoofdaanklager Carla del Ponte in de beschuldiging van Milosevic zijn verantwoordelijkheid ten aanzien van genocide met betrekking tot Srebrenica opnam, zelfs in haar eigen kantoor. Maar Del Ponte zei haar medewerkers zich geen zorgen te maken; het bewijs zou gauw genoeg gevonden worden. Later bekende Del Ponte evenwel dat zij het 'smoking gun'-bewijs nog steeds niet had. Toen de aanklagers in februari 2004 aan het eind van hun deel van het proces waren gekomen, was dan ook, althans in de openbare zittingen, geen schijn van bewijs voor directe betrokkenheid van Milosevic bij de massamoorden van Srebrenica geleverd. Laat staan van een bedoeling ('intent') tot genocide, die nodig zou zijn voor een veroordeling om die reden.

Daarom vroegen de amici curiae, die waren aangesteld omwille van een eerlijke procesgang nadat Milosevic had geweigerd een advocaat aan te stellen, dat deel van de aanklacht te laten vallen. Del Ponte had evenwel nog een troefkaart. In de aanklacht had zij Milosevic aangewezen als lid van een 'joint criminal enterprise' (JCE) samen met nog minstens veertien anderen onder wie de Bosnisch-Servische leiders Karadzic en Mladic.

De JCE als veroordelingsgrond is onder juristen omstreden. Sommigen beweren zelfs dat JCE staat voor 'Just Convict Everyone' (veroordeel gewoonweg iedereen). Met 2 tegen 1 besloten de rechters de aanklacht niet te laten vallen omdat volgens hen Milosevic als lid van deze criminele onderneming op de hoogte kon zijn geweest van de genocidale bedoelingen van andere leden en niets had gedaan om hen daarvan te weerhouden. Dat hij zelf mogelijk geen genocidale bedoeling had gehad was irrelevant.

Deze uitspraak kan worden opgevat als een soort tussenvonnis. Milosevic kon moeilijk ontkennen dat hij niet geweten zou hebben van genocidale bedoelingen van enkele anderen uit 'zijn onderneming'. In de maanden voorafgaand aan het conflict in Bosnië kondigde Karadzic bijvoorbeeld bij herhaling bloedbaden aan.

De verdediging van Milosevic zou zich nu hebben moeten concentreren op de vraag of hij ook na het onafhankelijk worden van Bosnië in april 1992 grip had gehad op de Bosnisch-Servische leiders. De rechters nodigden Milosevic daartoe ook uit, maar hij gaf daar niet dadelijk gehoor aan en we weten niet of hij nog van plan was geweest dat te doen.

De aanklagers hadden er alles aan gedaan om aan te tonen dat Milosevic zeggenschap had gehad over Karadzic en Mladic, daarmee suggererend dat hij de massamoord na de val van Srebrenica had kunnen voorkomen. Zij riepen tal van getuigen op. Wat zij bewust of onbewust buiten beeld hielden was dat Milosevic vanaf voorjaar 1993 tot eind augustus 1995 nauwelijks zeggenschap had over dit beruchte tweetal.

Pas nadat de krijgskansen van de Bosnische Serviërs in de zomer van 1995 waren gekeerd en Karadzic en Mladic na Srebrenica door de aanklagers van het Tribunaal in staat van beschuldiging waren gesteld, wist de orthodoxe patriarch Pavle de Bosnisch-Servische politici over te halen ermee akkoord te gaan dat Milosevic hen zou vertegenwoordigen in internationaal overleg. Enkele maanden later waren de vredesakkoorden van Dayton een feit.

We zullen nooit weten hoe een oordeel over Milosevic zou zijn uitgevallen, maar als de rechters de lijn van hun 'tussenvonnis' hadden doorgetrokken, dan was Milosevic waarschijnlijk veroordeeld wegens de voorzienbare uitkomsten van een proces dat hij enkele jaren vóór de genocide van Srebrenica in werking had gezet. Het valt te betwijfelen of die uitkomst veel Serviërs had bevredigd.

Nog maar enkele weken geleden schreef de journaliste Ana Uzelac van de mensenrechtenorganisatie International War and Peace Reporting dat het niet hoefde te verbazen dat een beschrijving van de recente geschiedenis van Servië in termen van een 'joint criminal enterprise' moeilijk te aanvaarden zou zijn voor ook die Serviërs die oprecht hadden gemeend dat het Servische volk begin jaren negentig beschermd moest worden en daarbij kozen voor Milosevic.

Het begrip 'joint criminal enterprise' nam afstand van de toedeling van individuele schuld en tendeerde door het element van schuld door associatie van de Serviërs een dadervolk te maken. De eerste reacties uit Servië op de dood van Milosevic laten zien dat veel Serviërs zich door zo'n kwalificatie juist als slachtoffers beschouwen. En waar een Servisch gevoel van slachtofferschap toe kan leiden heeft het voorafgaande decennium, waarin Milosevic de lakens in Belgrado uitdeelde, afdoende laten zien.

Bob de Graaff is hoogleraar geschiedenis, in het bijzonder van politieke en culturele reconstructie vanuit humanistisch perspectief, aan de Universiteit Utrecht. Hij werkte mee aan het Srebrenica-rapport van het NIOD en schreef samen met Ton Zwaan 'Genocide en de crisis van Joegoslavië 1985-2005'.