Hofstadproces ging om invulling van ideologie

Arabist Ruud Peters interpreteerde voor de rechtbank het ideologische gedachtegoed van de Hofstad-groep.

De verklaring van deskundige Ruud Peters, hoogleraar islamitisch strafrecht aan de Universiteit van Amsterdam, is 'zeker' van invloed geweest op het vonnis, zegt Koos Plooy, een van de twee officieren van justitie in het 'Hofstadproces'. Afgelopen vrijdag werd voor het eerst in Nederland een groepering veroordeeld op grond van de nieuwe terreurwetgeving. Negen leden van de Hofstadgroep kregen celstraffen tot vijftien jaar wegens onder meer deelname aan een terroristische organisatie.

De rechters verwezen in hun vonnis meerdere malen naar de verklaring van arabist Ruud Peters, die geschriften en andere bij de verdachten aangetroffen documenten onderzocht. Peters analyseerde het gedachtegoed van Mohammed B., initiator van de Hofstadgroep, aan de hand van door B. vertaalde en zelfgeschreven geschriften. Daarnaast onderzocht hij de radicalisering van de Hofstadleden en de verspreiding van extremistisch materiaal.

Peters rapporteerde op 5 december, de eerste zittingsdag van het proces, dat binnen de Hofstadgroep geschriften werden uitgewisseld waarin op godsdienstige gronden de democratische rechtsorde wordt verworpen en de gewapende strijd en het martelaarschap wordt verheerlijkt. De bij verdachten aangetroffen documenten waren zo identiek dat er sprake moest zijn geweest van een 'structurele samenwerking binnen de groep'.

Op de computers van enkele leden werden filmbeelden aangetroffen waarin de 'training- en krijgsverrichtingen van jihadstrijders' werden verheerlijkt, las de rechter vrijdag voor uit het vonnis. Peters 'noemt dit typisch materiaal dat gebruikt kan worden voor scholing en rekrutering (voor de jihad). Tijdens de huiskamerbijeenkomsten werd dit soort beeldmateriaal vertoond en bekeken, kennelijk met dit doel.' Peters heeft zijn taak 'genuanceerd en helder' volbracht, meent officier Plooy. 'Hij zette uiteen wat de betekenis in radicale groepen is van cassettebandjes met radicale preken, onthoofdings- en andere geweldsfilmpjes en scholingsteksten.'

De rechtbank maakte in het vonnis een onderscheid tussen passieve en actieve leden. Verdachten die slechts extremistisch materiaal in hun bezit hadden, werden vrijgesproken. Veroordeeld werden groepsleden die dergelijk haatzaaiend materiaal verspreidden of gebruikten om anderen te ronselen. Een aantal documenten omschreef Peters als 'scholingsteksten'. De arabist achtte 'het zeer aannemelijk' dat het lesmateriaal gebruikt werd bij de huiskamerbijeenkomsten, onder andere in de woning van Mohammed B.

De groepsleden hingen een radicale richting binnen de islam aan. In hun interpretatie staat het begrip tahweed, de eenheid van God, centraal. Peters verklaarde dat tawheed in hun geval een zeer specifieke betekenis had, met politieke consequenties. De groep rechtvaardigde daarmee de verwerping van de democratische rechtsstaat. Regeringen en rechters erkennen ze niet omdat zij werken met door mensen gemaakte wetten en niet met de goddelijke wet, de sharia.

Peters zei in de rechtszaal dat de nauwe uitleg van tahweed een standaardonderdeel van de ideologie van radicaal-islamitische groepen is geworden. Dat 'geeft hen de rechtvaardiging mensen te doden die volgens hun enge interpretatie ongelovig zijn', citeerde de rechtbank uit Peters' verklaring.

Volgens Peters hoeft deze uitleg niet per definitie tot geweld of de rechtvaardiging van geweld te leiden. De verdediging haalde in de pleidooien deze passage meerdere malen aan. Maar het ging het openbaar ministerie om de vraag of de verdachten, of de groep als zodanig, voor zichzelf uit die ideologie de rechtvaardiging en de noodzaak had afgeleid om geweld te gebruiken, zegt Plooy. 'De subjectieve kant van de ideologie vond ik belangrijk, omdat het in dit proces ging om wat de verdachten zelf vonden en beoogden, vanuit hun eigen uitleg van de tawheed.'

Op basis van de interpretatie van de documenten door Peters acht de rechtbank ook bewezen dat Mohammed B. en andere leden van de groep onderling besproken moeten hebben dat er een gewelddadige actie moest volgen. 'Gelet op zijn (Mohammed B., red.) ideologische ontwikkeling en het feit dat hij in de zomer van 2004 daadwerkelijk personen met de dood heeft bedreigd via open brieven, is het aannemelijk dat Mohammed B. het idee had dat er een daad gesteld moest worden.' Aangezien meerdere documenten, waaronder de open brieven, bij verschillende leden van de groep zijn aangetroffen achtte Peters 'het zeer waarschijnlijk' dat Mohammed B. zijn voornemens met anderen heeft besproken. 'Het is dus naar mijn mening zeer waarschijnlijk dat over de fatwa met anderen is gesproken', zei Peters.