Zo rijk als Nederland is...

Bezit groeit in stilte. Nederland is weer net zo rijk als in 2000, toen de internethausse piekte. In lonen zit weinig groei, maar aandelen en huizen stijgen onstuimig in prijs.

Armoede was voor kiezers afgelopen dinsdag het een na belangrijkste thema in het gemeentelijke stemhokje. Voor 59 procent van de kiezers was het een thema van belang. Alleen werkgelegenheid scoorde in de peiling van Maurice de Hond net iets hoger (63 procent).

Armoede wordt nauwkeurig in kaart gebracht. De tweejaarlijkse Armoedemonitor van het Centraal en Cultureel Planbureau (SCP) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is een begrip. Kern van de uitkomsten: het aantal huishoudens met een laag inkomen (850 euro netto per maand) steeg de laatste jaren na een lange periode van daling met zo'n 100.000 naar 680.000.

Toen minister Gerrit Zalm (Financiën, VVD) drie maanden geleden in het Algemeen Dagblad armoede een relatief begrip noemde, was publieke afkeuring zijn deel. Hij vindt de lage inkomens van nu voordelig afsteken bij de situatie in de jaren vijftig. Zalm had een vergelijkbare opmerking eerder in de Eerste Kamer gemaakt. Maar de handelingen van die Kamer worden niet zo goed gelezen als het AD. Als armoede in de ogen van de minister relatief is, wat is dan rijkdom? En hoe rijk is Nederland? Wie becijfert dat vermogen?

Niemand.

Maandblad Quote heeft zijn jaarlijkse ranglijst van de vijfhonderd rijkste Nederlanders. De tiende editie verschijnt dit najaar.

Onderzoeksbureaus verzamelen cijfers voor bijvoorbeeld de geldbeheerders van rijkelui.

Het geld groeit in stilte.

De lonen van werknemers stijgen al enkele jaren maar marginaal, de koopkracht daalt al jaren onder invloed van stijgende pensioenpremies en de prijzen van de meeste consumptiegoederen stijgen nauwelijks.

Maar de waarde van (financiële) bezittingen groeit onstuimig.

De ruk naar links dinsdag in het stemhokje komt op het moment dat het financiële vermogen van Nederlandse huishoudens terug is op de piek van 2000 Het jaar waarin de beurs alle records brak. Sterker nog: misschien is het vermogen zelfs al over dat record heen.

De huizenprijzen stegen vorig jaar met ruim vijf procent, becijfert de Nederlandse Vereniging van Makelaars (NVM).

De aandelenkoersen stegen vorig jaar mondiaal met 27 procent. De Amsterdamse beursgraadmeter AEX sloot een kwart hoger.

Particuliere spaarpotten zijn nog beter gevuld dan eind 2004: 6 miljard euro extra erin. Totaalbedrag: 211 miljard euro.

Pensioengeld bij verzekeraars en pensioenfondsen: bijna vijftien procent gestegen meldde het CBS gisteren. De nieuwe recordstand: 980 miljard euro. Dat is bijna het dubbele van de jaarlijkse productie van goederen en diensten van Nederland. Vooral pensioenfondsen profiteerden vorig jaar van de aandelenhausse: zij steken tussen de 40 en 45 procent van hun geld in aandelen.

Zo rijk als Nederland is, zo schraal blijken echter sommige statistieken die het vermogen snel in kaart moeten brengen. De belangrijkste schuldenpost van gezinnen is hun woninghypotheek. Eind 2004 was dat 420 miljard euro. Uit bezuinigingen is het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) echter gestopt met het verzamelen van de gegeven voor regelmatige publicatie. Het CBS verwijst naar De Nederlandsche Bank, die de betreffende cijfers over drie verschillende statistieken (banken; verzekeraars en pensioenfondsen; overige financiële instellingen) met verschillende publicatiedata heeft gespreid.

Alles bij elkaar bedragen de vermogens van de huishoudens eind 2005 1.280 miljard euro, een absoluut record. Per huishouden gemiddeld: 180.510 euro.

Nederland is de terugslag van de beurskrach van 2001 en 2002 te boven. Het totale vermogen van huishoudens is ten opzichte van hun beschikbare inkomen terug op de piek van 2000. In dat jaar was de verhouding tussen het vermogen en het beschikbaar inkomen 487 procent, nu is dat zo'n 490 procent.

Geld beleggen, zeg maar: rentenieren, is een kernactiviteit geworden van de BV Nederland.

In deze cijfers is het pensioen-spaarvarken niet eens meegenomen. Het is wel financieel vermogen, maar consumenten kunnen hun pensioenkapitaal niet opvragen en consumeren.

De invloed van de opeenhoping van zoveel geld op de 'echte' economie van banen, bedrijven en bestedingen is tamelijk ongrijpbaar. Jarenlang hielden monetaire kopstukken als president Nout Wellink van De Nederlandsche Bank en minister Zalm van Financiën de burger voor dat hij meer moest consumeren. Vorig jaar bleek uit betere cijfers van het CBS dat de burger dat al jaren deed, en zelfs meer uitgaf dan zijn inkomen. Oftewel: hij gebruikte de (verkoop)winsten van zijn vermogen om te blijven consumeren, ook in krappe tijden.

De gespaarde en belegde kapitalen laten hun sporen achter in de echte economie. Als de beurskoersen stijgen gaan beleggende huishoudens meer consumeren. Uit onderzoek van het CPB en De Nederlandsche Bank blijkt dat 1.000 euro koerswinst 82 euro extra consumptie oplevert. Dat vertaalt zich op basis van de geschetste koerswinsten van 2005 in ruim drie miljard euro extra consumptie.

Een ander effect: de gestegen vermogens van de pensioenfondsen maken voor het eerst in vier jaar een lichte premieverlaging mogelijk. Ook dat is een koopkrachtimpuls.

De cijfers illustreren tevens dat de bezittende klasse steeds rijker wordt. Al is de bezittende klasse een ruim begrip. Meer dan negentig procent van de werknemers neemt deel in een collectieve pensioenregeling. Meer dan de helft van de huishoudens heeft een eigen huis. En onder de huishoudens met de laagste inkomens zijn ook beleggers. De Nederlandsche Bank verdeelt uit onderzoeksoverwegingen de huishoudens in vijf groepen, elk 20 procent van het totaal, oplopend van laag naar hoog. In de laagste inkomensgroep bleek in 2005 negen procent in aandelen te beleggen en elf procent in beleggingsfondsen.

Maar wie niets bezit, blijft op zijn best gelijk of komt in de Armoedemonitor terecht.