Waar fantasie ophoudt en terreur begint

De Haagse rechtbank heeft een even uitvoerig als genuanceerd vonnis gewezen tegen de verdachten van de Hofstadgroep gisteren. Zonder alle verdachten op één hoop te gooien, heeft de rechtbank in zijn drieënhalf uur durende uitspraak bruikbare aanknopingspunten gegeven voor toekomstige behandeling van dergelijke terreurzaken. De nieuwe Wet terroristische misdrijven, die voor de tweede keer werd toegepast, speelde een beperkte rol. Het is niet gemakkelijk om een terroristisch misdrijf te bewijzen zonder dat daarmee rechten van onschuldigen in gevaar komen.

De zwaarste gevangenisstraffen werden niet opgelegd op grond van deelname aan een terroristische organisatie, maar op grond van klassieke delicten in het Wetboek van Strafrecht. Nouredine el F. heeft zijn vijf jaar gevangenisstraf hoofdzakelijk te wijten aan het feit dat hij met een geladen, schietklaar machinepistool rondliep en daar naar greep toen hij werd aangehouden. Ismael A. en Jason W. kregen dertien respectievelijk vijftien jaar gevangenisstraf wegens poging tot moord omdat zij een handgranaat naar politieagenten gooiden, wat een zwaar misdrijf is. Deze misdrijven werden niet beschouwd als terreurdaden.

Het nieuwe artikel 140a tegen terroristische misdrijven, dat op grond van een Europese kaderrichtlijn werd aangenomen, had een meer indirecte werking. De verdachten hadden zich volgens de rechtbank door gezamenlijk opruien, haat zaaien en bedreigen schuldig gemaakt aan deelname aan een terroristische en criminele organisatie. Ook zes andere verdachten werden wegens deelname aan een terroristische en criminele organisatie veroordeeld tot straffen van een tot twee jaar cel. Dat is minder dan de drie jaar gevangenisstraf die vorige maand door de Rotterdamse rechtbank op grond van de nieuwe wet werd opgelegd aan Bilal L. wegens het ronselen van mensen en beramen van plannen voor de islamitische strijd.

De grens tussen samenspannen voor terrorisme en zich gezamenlijk overgeven aan loze geweldsfantasieën kan flinterdun zijn. De gevangenissen zouden overvol raken als iedereen daar terecht zou komen die wel eens in de huiskamer geweld heeft verheerlijkt. Grove toepassing van de antiterrorismewet zou een einde maken aan de vrijheid van meningsuiting en aan de rechtsstaat. Mensen moeten de kans krijgen uit zo'n groep te treden als ze alleen maar hebben meegepraat en nog niets fouts hebben gedaan. Maar van de Hofstadgroep hadden drie leden het niet bij vrijblijvend theoretiseren gelaten. Zij staken de grens over en pleegden zware delicten. Van de overige elf verdachten werden er vijf vrijgesproken. Vijf hadden samengespannen.

In het licht van de gevangenisstraf voor de meeste verdachten is het bevredigend dat anderen vrijuit gaan. De nieuwe wet heeft geen overdreven effect gehad op de vervolging van groepen. Uiteindelijk is het strafrecht slechts een remedie achteraf, die een beperkte rol speelt in de strijd tegen terreur. Die moet vooral worden gevoerd door internationale samenwerking, inlichtingendiensten, opsporing, beveiliging en met hulp van burgers. En dan nog biedt dat geen garantie tegen terreur. De Hofstadgroep is bekend. Maar de vier zelfmoordterroristen in de Londense metro vorig jaar waren zogenoemde clean skins, zonder strafblad en nieuw voor de autoriteiten.