Vliegen vangen

Tropische ziekten, zoals malaria of slaapziekte, worden veroorzaakt door ééncellige parasieten met een celkern, eukaryoten net als wijzelf. Qua stofwisseling verschillen die protozoën minder van ons mensen dan bacteriën, zodat het niet makkelijk is om goede chemotherapie tegen protozoën te ontwikkelen. Diepgravend laboratoriumonderzoek moet eigenaardigheden van de parasiet aan het licht brengen, waartegen nieuwe chemotherapie gericht kan worden.

Soms kan het simpeler, want die ééncellige parasieten hebben hulp nodig bij hun verspreiding, hulp van muggen, vliegen of torren, en die kunnen we pogen te weren. Vangen is zinloos, want op het vliegenbestand heeft dat geen effect. Een huisvlieg legt 150 eieren en een week later is de volgende generatie huisvliegen klaar voor de volgende 150 eieren. Daar valt niet tegen op te vangen.

Maar er zijn uitzonderingen. Er zijn vliegen die zich traag voortplanten, zo traag dat ze niet op kunnen tegen goed georganiseerde vangst. Het prototype van zo'n slome vlieg is de tsetsevlieg, die in tropisch Afrika de trypanosoom overbrengt, de verwekker van de slaapziekte. Dat kan hij goed, want momenteel zijn er zo'n half miljoen nieuwe gevallen van slaapziekte per jaar. Behandeling is moeilijk, de geneesmiddelen zijn toxisch en wie niet behandeld wordt gaat dood.

Het effect van de tsetsevlieg op landbouw en veeteelt is minstens zo desastreus. De lokale zoogdieren zijn aangepast aan de trypanosoom, maar ongeschikt als hulpdier. Het locale vee geeft weinig melk, de wilde buffel wil geen karren of ploegen trekken. Alle importzoogdieren worden door de trypanosoom gedecimeerd, tenzij ze onder de dure anti-trypanosoommiddelen worden gehouden. Tegen die middelen ontstaat bij chronisch gebruik natuurlijk resistentie. De trypanosoom is niet voor één gat te vangen.

Voor overdracht van mens naar mens of koe naar koe, is de trypanosoom echter afhankelijk van de tsetsevlieg en dat gaat zijn ondergang worden. De vlieg heeft namelijk een ongebruikelijke levensloop die kwetsbaar is voor menselijk ingrijpen. In plaats van 100 eieren, legt de tsetsevlieg er maar één tegelijk. Dat ei wordt niet achteloos in rottend vlees gedumpt, maar in de baarmoeder van de vlieg afgeleverd. De uitkomende larve wordt gevoed met een melkachtig secreet totdat de boreling bijna de helft van het gewicht van de vlieg vormt. Dan volgt een moeizame bevalling, waarna de reuzenlarve zich onmiddellijk ingraaft in de grond en verpopt. De nieuwe vlieg die uit de pop komt, kruipt haastig in een boom tot zijn vleugels werken en hij de hongerige mieren kan ontvluchten.

Veel kroost krijg je niet met zo'n aanpak. Maximaal produceert één vlieg 12 kinderen, een getal dat Brabantse families tot voor kort ook wisten te halen. Deze strategie werkt echter prima in de jungle, waar eieren en larven nu eenmaal gretig worden gegeten. Dan is een uterus waarin die kwetsbare eieren en larven gekoesterd en beschermd worden een goede investering. Trage voortplanting maakt de vlieg echter kwetsbaar voor vliegenvangers. Als je iedere dag 3 procent van de aanwezige vliegen weet te vangen, wordt de vlieg uitgeroeid, zoals experimenteel is aangetoond.

De tsetsevlieg kan ook niet tegen insecticiden. Dat heeft aanvankelijk geleid tot spectaculaire campagnes, waarbij slecht afbreekbare insecticiden in grote hoeveelheden uit vliegtuigen werden gestrooid. Daarbij ging alles wat kroop of vloog dood, maar die overkill is volstrekt onnodig gebleken: de tsetsevlieg is namelijk uiterst gevoelig voor de goed afbreekbare pyrethrum insecticiden, zoals deltamethrine. In savannegebieden kan de vlieg bestreden worden uit de lucht met minimale bijverschijnselen. Door de slome voortplanting, is resistentie geen probleem. De kleine vliegenpopulaties maken de kans dat resistente varianten ontstaan verwaarloosbaar en die zijn ook nooit gezien in de praktijk. Vliegtuigen zijn echter duur en besproeiing uit de lucht werkt niet in dicht oerwoud. Vandaar het enthousiasme voor het vangen van tsetsevliegen.

Dat vliegen vangen werkt, is al bijna 100 jaar bekend. Toen werd het eiland Principe voor de kust van West-Afrika door Portugese planters tsetsevrij gemaakt door de plantagearbeiders uit te rusten met zwarte, kleverige rugbedekking. Sindsdien is er met allerlei vliegenvallen geëxperimenteerd, met wisselend succes. Pas toen de Engelse onderzoeker Glen Vale in de jaren zeventig systematisch vallen ging testen, werd duidelijk wat nodig is om vliegen te lokken. De tsetsevlieg wordt aangetrokken door helblauw, maar landt graag op een zwart vlak, een buffel- of negerrug. De vlieg vliegt ook zijn neus achterna: buffelurine is het beste lokaas, maar inmiddels zijn er makkelijk te synthetiseren lokstoffen beschikbaar, die goedkoop op vliegenvallen zijn aan te brengen.

Die moderne vallen werken fantastisch: in 3 maanden worden 99 procent van de vliegen gevangen en dat voor een flutbedrag: 100 dollar per vierkante kilometer per jaar. Als ook de koeien met insecticiden worden ingesmeerd, gaat het nog sneller. Waarom zijn er dan jaarlijks een half miljoen nieuwe gevallen van slaapziekte in Afrika? Dat komt omdat volhouden moeilijker is dan beginnen, zelfs onder ideale omstandigheden. In de eerste maanden is er donorgeld, de tsetsevliegen verdwijnen snel en met de vlieg de slaapziekte van mens en vee. De lokale bevolking is enthousiast; vliegenvallen zijn goedkoper dan preventie van koeienslaapziekte door geneesmiddelen en doodgaan aan slaapziekte (of behandeling van slaapziekte) is geen pretje. Als er geen vliegen meer gevangen worden, komt de klad er echter in. De vallen worden niet meer van vers insecticide voorzien, of ze worden gepikt. Ook al zit er goedkoop materiaal in een val - 1 dollar per val. Dat materiaal is ook voor andere doeleinden te gebruiken. Zo komen de vliegen terug uit omliggende gebieden die niet tsetsevrij zijn.

Er zijn door de wol geverfde Afrikadeskundigen die daar niet rouwig om zijn. De tsetsevlieg houdt mens en vee weg uit kwetsbare tropische gebieden. Als de vlieg er niet meer is om de slaapziekte te verspreiden, gaat het hek van de dam. De WHO helpt immers wel om plagen uit te roeien, maar niet om de daarop volgende bevolkingsexplosie in te perken of om de natuur te beschermen. Dan wordt Afrika één groot landbouwgebied met alleen hier en daar een reservaatje, waar wij wilde beesten kunnen bekijken.

De Unie van Afrikaanse staten heeft geen boodschap aan zulke lange-termijnzorgen. Die ziet Afrikanen dood gaan aan slaapziekte en streeft sinds 2001 naar de volledige uitroeiing van de tsetsevlieg. Het plan is om een gebied tsetsevrij te maken, zo'n gebied dan te beschermen met een ring van vliegenvallen en zo stap voor stap Afrika te ontdoen van de tsetsevlieg. Op het geld hoeft het niet te hangen. Tsetsebestrijding kost haast niets vergeleken met de ontwikkeling van een nieuw geneesmiddel. Voor een paar honderd miljoen dollar is Afrika tsetsevrij te maken. Het hangt op de politieke stabiliteit. Als de sproeivliegtuigen worden neergehaald met raketten, als de lokale bevolking op de vlucht is en de vliegenvallen niet kan onderhouden, heeft de tsetsevlieg vrij spel. Het zijn de lokale oorlogen die de mooie plannen doorkruisen en die de gestage toename van slaapziekte sinds 1965 veroorzaken. Voorlopig kunnen we dus niet zonder (nieuwe) geneesmiddelen. Het is een ontnuchterend idee, al die ingenieuze proeven in het lab op weg naar nieuwe geneesmiddelen, terwijl het probleem van de slaapziekte eigenlijk is opgelost met vliegen vangen.

    • Piet Borst