Uitbestede schatten

Theo Toebosch geeft in zijn artikel ‘Uitbestede schatten’ (W&O, 4 maart) een schokkend beeld van de onderwaterarcheologie in Nederland. In 2004 betoogde dr. Fred Hocker, hoofd onderzoek van het Wasa-museum in Stockholm, op een symposium over historische houten scheepsbouw dat Nederland door zijn rijke maritiem verleden over een schat aan wrakken beschikt die door hun aantal en verscheidenheid kunnen bijdragen aan kennis van de historische scheepvaart. Daarmee neemt ons land een unieke plaats in de wereld in.

Als in Nederland een groot civiel werk wordt uitgevoerd, wordt tijd en geld vrijgemaakt voor archeologisch bodemonderzoek. Zo waren langs het tracé van de Betuwelijn op verschillende plaatsen borden geplaatst met de mededeling dat daar archeologisch onderzoek gedaan werd. Dat onderzoek heeft interessante gegevens opgeleverd. Maar waarin verschilt die archeologie van de onderwaterarcheologie? Als een nederzetting, boerderij of kasteel wordt opgegraven, is het vaak mogelijk het gebouw op papier te reconstrueren en worden resten van vroegere bewoning gevonden.

Als een schip vergaat, vindt een momentopname plaats. Het vergaat ‘met man en muis’. De muis wordt niet meer teruggevonden, de man een enkele keer nog wel, maar voor het overige vergaat het schip met zijn complete inventaris. De plaats waar het schip gevonden wordt, de staat van het wrak en de inventaris geven samen een gedetailleerd inzicht van het leven aan boord en leveren informatie over de samenleving op de plaats van vertrek en van aankomst. Vaak kan ook de datum nauwkeurig worden vastgesteld. Deze informatie is uniek en niet op andere wijze te verkrijgen. Het depot van het NISA – dagelijks te bezoeken via de Bataviawerf – geeft daarvan een verrassend en soms ontroerend beeld. Dit voor het behoud van ons cultureel erfgoed zo belangrijke werk heeft uiteraard daartoe opgeleide deskundigen nodig.

Des te schrijnender is de reactie van de Minister en van de Staatssecretaris, die dit alles afdoen met “onderzoek en opleiding kan evengoed in andere landen”. Er zijn in andere landen instituten die onderzoek doen en opleidingen verzorgen. Die richten zich uiteraard allereerst op hun eigen verleden. Het ligt zeker niet voor de hand dat zij het tot hun taak rekenen de scheepsarcheologie in Nederland hoog op de agenda te zetten. Toebosch heeft het over “uitbestede schatten”. Uitbesteding van activiteiten kan alleen een succes zijn als de uitbesteder de regie ferm in handen heeft en daarvoor over de nodige eigen expertise beschikt. We kunnen in dit geval kennelijk beter spreken van ‘uitgeleverde schatten’ en we moeten maar toezien wat anderen daarvan terecht brengen.

“Juist op dit terrein ligt een Europese maar ook internationale oriëntatie voor de hand”, citeert Toebosch de Staatssecretaris. Het had op de weg van Nederland gelegen daartoe het initiatief te nemen. In plaats daarvan wordt onderwaterarcheologie een buitenlands vak.

H.J. de Bijll Nachenius, Rotterdam