Tussenweg in eigenbelang en internationalisme

Op de Opiniepagina van 7 maart gaat Maarten Rothman in op de interessante polemiek tussen Elsbeth Etty en Wouter Bos over internationalisme versus eigenbelang. Voor een soort tussenweg brengt Rothman de filosofie van David Hume in stelling, waarop hij is gepromoveerd.

Ik wil er evenwel op wijzen dat de beschouwingen van Hume over de rol van sympathie in de totstandkoming van onze socialisatie wel correct worden weergegeven, maar dat zijn werk wordt misbruikt als men daar een of andere vorm van internationale verantwoordelijkheid uit laat voortkomen, al dan niet versierd of verantwoord met het woord ‘globalisering’. Hume is heel stellig in de afwijzing daarvan: „In general, it may be affirm’d, that there is no such passion in human minds, as the love of mankind, merely as such, independent of personal qualities, of services, or of relation to ourself.“

Natuurlijk, vervolgt Hume zijn betoog in Treatise of Human Nature (3.2.1), leven wij ‘sympathisch’ mee met vreugde en ellende in de rest van de wereld. Uiteraard raakt ons dat wanneer het in levendige kleuren voor onze ogen wordt getoond. „Maar dit is geen bewijs voor een dergelijke universele affectie voor de hele mensheid, want dit soort betrokkenheid strekt zich uit tot over de grenzen van onze soort.“

Christelijke of socialistische voorstanders van daadwerkelijk internationalisme à la Elsbeth Etty dat een sterke inperking van nationale belangen beoogt, zullen door dit argument van de verlichte filosoof Hume niet op hun overtuiging terugkomen. Maar bijHume zelf is er geen sprake van internationale rechtvaardigheid. Dat is voor hem idealisme. „Experience sufficiently proves that men, in the ordinary conduct of life, look not so far as the public interest.“ Daarmee staat hij aan de realistische kant van ‘het hemd is nader dan de rok’.

    • Wim Klever Capelle A.D. Ijssel