Naar een verlichte islam in Nederland

Er moet een soort safe house komen om de vrijheid van meningsuiting van liberale moslims te garanderen. Maar de overheidsbemoeienis met de islam moet zich beperken tot opvattingen die in strijd zijn met de regels van onze rechtsstaat.

Vijf jaar geleden, twee jaar voor de opkomst van Pim Fortuyn, schreef Paul Scheffer in deze krant over een ernstige bedreiging van de maatschappelijke vrede in Nederland. In een visionair stuk schetste hij het dramatische beeld van generaties immigranten die mislukken en de nieuwe sociale onderklasse van Nederland vormen.

Sinds de publicatie van het stuk is steeds duidelijker geworden dat de integratie van moslims in de Nederlandse samenleving zal staan of vallen met de richting waarin de islam zich in ons land zal ontwikkelen. Of de multiculturele samenleving een tragedie of alsnog een success story wordt, is vooral afhankelijk van de één miljoen Nederlandse moslims en hoe de Nederlandse overheid hen tegemoet treedt.

Het moet een van de pijnlijkste voorbeelden zijn van de multiculturele verwarring waarin Nederland in de jaren negentig van de vorige eeuw verkeerde: de campagne 'Die tulband past ons allemaal' van de Nederlandse hoofdcommissarissen. Onder die noemer lanceerden de korpschefs in 1999 het voorstel om agenten de vrijheid te geven de platte politiepet te verruilen voor een hoofddoekje of een tulband. Van dit voorstel is gelukkig niets meer vernomen en ook de landelijke politiek heeft zich in 2004 in meerderheid uitgesproken tegen een dergelijke schending van het gezag. Alleen GroenLinks heeft nog steeds geen principiële bezwaren tegen rechters of politieagenten met hoofddoekjes.

De politieke elite lijkt, onmiskenbaar onder invloed van Pim Fortuyn, zijn rug dus enigszins te hebben gerecht. De principes van de moderniteit kunnen sinds 2002 rekenen op belangstelling van politiek Den Haag. Waarden als de scheiding van kerk en staat en de vrijheid van meningsuiting zijn herontdekt als de grondbeginselen van onze democratische rechtsstaat. Als zodanig worden zij ook door elke politieke partij herkend en erkend. Maar daar houdt het dan ook mee op. Want zoals altijd gaat de Nederlandse politiek pragmatisch om met deze principes. Meestal is dat goed, soms niet. De uitkomst van het enige debat in de Tweede Kamer over hoofddoekjes, dat in 2004 werd gehouden, was dat geüniformeerde ambtenaren geen religieuze kledingstukken mogen dragen, maar dat het andere ambtenaren vrijstond om wel met een hoofddoekje achter, bijvoorbeeld, de balie van burgerzaken plaats te nemen. Precies de ambivalente en principeloze politiek waar, behalve de meeste volksvertegenwoordigers in Den Haag, de meeste Nederlandse burgers niets van begrijpen; uit een peiling van TNSNIPO in 2005 naar het dragen van hoofddoekjes door ambtenaren bleek 80 procent van de Nederlanders voorstander van een algeheel draagverbod voor overheidsdienaren.

De angst van de politieke elite voor de eigen principes van de moderne rechtsstaat is niet alleen beklagenswaardig, hij is ook gevaarlijk. Bij de Nederlandse moslims wordt een fundamentalistische interpretatie van de islam er eerder door versterkt dan verzwakt. De islam is namelijk per se een godsdienst waarin kerk en staat, geloof en recht, niet los van elkaar worden gezien.

Dat blijkt al uit het feit dat naast de koran de sharia, de islamitische wetgeving, voor moslims een belangrijke bron vormt voor hun leefwijze. De rechtsregels van de sharia vormen samen met de bepalingen in de koran een islamitische rechtsstaat waarin geloof en recht onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden en ongelijkheid van man en vrouw, homo en hetero, moslim en niet-moslim het uitgangspunt vormt.

Deze alternatieve rechtsstaat is in Nederland weliswaar slechts virtueel aanwezig, maar is daarom niet minder bepalend voor de manier waarop moslims in Nederland met elkaar en met anderen omgaan. Dat mag ook blijken uit het onderzoek van het tv-programma Nova na de moord op Theo van Gogh waaruit bleek dat een kwart van de Nederlandse moslims het niet erg zou vinden als hier te lande de sharia zou worden ingevoerd.

De achtergestelde positie van moslimvrouwen, de bedreigingen van homoseksuelen en het antisemitisme onder Nederlandse moslims zijn maatschappelijke problemen die rechtstreeks in verband staan met hun opvattingen zoals die voortvloeien uit de sharia.

Tegenover deze de rechtsstaat ondermijnende opvattingen stelt de overheid nu slechts appeasement (hoofddoekjes) of, in het slechtste geval, financiële ondersteuning: zie islamitische scholen als de As Siddieq-school in Amsterdam waar leerlingen het antiwesterse sentiment met de paplepel wordt ingegoten, zie de hogescholen waar islamitische gebedsruimten zijn ingericht, zoals de Avans Hogeschool in Breda die zelf hoofddoekjes heeft uitgedeeld aan haar leerlingen. Je kan het de Nederlandse moslims bijna niet kwalijk nemen dat zij de scheiding tussen kerk en staat in Nederland niet serieus nemen; door deze kernwaarde in de praktijk te relativeren doet de overheid dat zelf immers ook niet.

De totstandkoming in Nederland van een islam die de scheiding van kerk en staat wel respecteert, is dus eerst en vooral afhankelijk van de bereidheid van de eigen overheid om dit rechtsstatelijke principe stevig te verankeren. Dat kan het beste gebeuren door het principe, naar het voorbeeld van Frankrijk, in de Grondwet te verankeren. Daarbij moeten Nederlandse moslims bedenken dat het vastleggen van deze waarde ook voor hen de garantie vormt dat zij hun geloof kunnen blijven belijden. In een islamitisch land als bijvoorbeeld Saoedi-Arabië, waar kerk en staat niet gescheiden zijn en de staat dwingend een godsdienst oplegt aan zijn onderdanen, bestaat er namelijk in het geheel geen vrijheid van godsdienst. Alleen een neutrale Nederlandse staat, die op geen enkele wijze zelf een religieuze voorkeur uitdraagt, kan volhouden dat hij al zijn burgers, gelovig of niet-gelovig, gelijk behandelt. Overheidspersoneel in dienst van deze neutrale staat mag dan ook, net als in Frankrijk, Turkije en Marokko, geen hoofddoekje of andere religieuze symbolen dragen.

Met het formeel vastleggen van de scheiding van kerk en staat, die de zichtbare aanwezigheid van de islam binnen het staatsapparaat tegengaat, zijn we er nog niet. Ook de fundamentalistische interpretatie van de islam en het verspreiden en propageren van de sharia binnen de islamitische gemeenschap in Nederland moeten actief worden tegengegaan. Daar mag je als democratische rechtsstaat heel ver in gaan. Zo leert althans een belangrijke uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens uit 2003. In een zaak die door de toenmalige Turkse Welvaartspartij was aangespannen tegen de Turkse overheid, oordeelde het Hof dat een politieke partij die invoering van de sharia bepleit verboden mag worden, omdat de islamitische wetten een fundamentele bedreiging vormen voor de democratische rechtsorde. Elke radicaal-islamitische vereniging, partij of boekhandel die het islamitisch-fundamentalisme verspreidt kan met dit arrest in de hand worden aangepakt. Je moet het alleen wel durven en doen.

Welke rol blijft er dan over voor de fameuze dialoog, tot voor kort in Nederland en voor Job Cohen nog steeds het antwoord op alle maatschappelijke problemen? Die dialoog, die nu vooral wordt gevoerd in het kader van eindeloze en besloten vergaderingen tussen de overheid en voorzitters van islamitische koepelorganen die elke representativiteit missen, moet worden afgeschaft. In plaats daarvan moeten openbare, landelijke islamdebatten worden opgezet door de overheid, naar het voorbeeld van de Rotterdamse islamdebatten. Om vrijblijvendheid tegen te gaan, moeten deze debatten worden gevoerd over de verschillen en niet over de overeenkomsten tussen de waarden van de westerse vrije samenleving en de islam. Liberale islamitische theologen als Nasr Hamid Abu Zaïd en Abdolkarim Soroush, die hun geboortelanden (respectievelijk Egypte en Iran) hebben moeten ontvluchten vanwege hun opvattingen, moeten bij deze debatten worden uitgenodigd om de vrees bij Nederlandse moslims weg te nemen dat een keuze voor de westerse waarden neerkomt op het afvallen van de islam. Ook Nederlandse moslims, zoals Hikmat Mahawat Khan van de liberale islamitische Lahore Ahmadiyya-stroming en ex-moslims kunnen, al dan niet door beveiligers omringd, aan deze debatten een bijdrage leveren. Zo kan een brug worden gebouwd tussen de Nederlandse moslims en de Nederlandse waarden.

Om dit proces van verlichting op gang te krijgen, moet de overheid wel pal staan voor de moslims die hun nek durven uit te steken. De vrees onder moslims voor de (dood)straf die in de islam is gesteld op afvalligheid, is groot en vormt de grootste belemmering voor de totstandkoming van een liberale islam in Nederland.

Moslims die de moed hebben zich van hun geloof af te keren, die de vrijheid van meningsuiting willen gebruiken om hun geloof te liberaliseren en extremistische geloofsgenoten te kritiseren, lopen het gevaar slachtoffer te worden van een van de (volgens AIVD-schatting) tienduizenden radicale Nederlandse moslims die de koran op dit punt erg letterlijk nemen. Om de vrees voor hun fanatieke geloofsgenoten weg te nemen, moet de overheid daarom deze moedige moslims en ex-moslims garanderen dat zij kunnen rekenen op bijstand van de staat als zij worden bedreigd, en niet alleen als zij lid zijn van de Tweede Kamer. Letterlijk en figuurlijk moet in Nederland een safe house worden opgezet voor de vrijheid van meningsuiting van liberale moslims waardoor ook zij, bevrijd uit hun geestelijke gijzeling, kunnen zeggen wat ze denken: bijvoorbeeld dat uittreden uit de islam is toegestaan.

Wie meent een tegenstelling te ontwaren tussen het formaliseren van de scheiding van kerk en staat in Nederland en actief overheidsoptreden tegen fundamentalistische opvattingen binnen de Nederlandse moslimgemeenschap: die is er niet. De voorgestelde overheidsbemoeienis met de islam moet namelijk slechts gericht zijn op het verstevigen en, waar nodig, herstellen van die scheiding en het handhaven van de wet.

Met het achterstellen van vrouwen en het discrimineren van homo's en joden worden de regels van onze rechtsstaat overtreden; met het vervangen van onze democratisch vastgestelde rechtsregels door eigen religieuze wetgeving betreedt de islam het terrein van het recht en daarmee het terrein van de staat.

De islam is op dit moment niet alleen vanwege de circa één miljoen gelovigen de belangrijkste religie in Nederland. Nog belangrijker is het feit dat de islam, anders dan het christendom in Nederland, gestoeld is op beginselen die ver afstaan van de kernwaarden van de moderniteit. De toekomstige ontwikkeling van de islam in ons land zal dan ook een grote invloed hebben op de ontwikkeling van de Nederlandse samenleving.

Het is van het grootste belang dat de overheid dit onder ogen ziet en voorwaarden creëert voor de totstandkoming van een verlichte islam in Nederland. Alleen zo kan een Nederland ontstaan waarin moslims en niet-moslims elkaar vrijelijk en zonder vrees kunnen kritiseren en respecteren, ofwel: werkelijk kunnen samenleven.

Joost Eerdmans is lid van de Tweede Kamer en maakt deel uit van de fractie van de LPF. Marco Pastors is raadslid voor Leefbaar Rotterdam.