Met dank aan Deetman

In 1982 telde de Nederlandse bevolking 604 duizend jongeren in de leeftijd van 12 - 16 jaar. Tien jaar later, in 1992, was dit aantal met haast dertig procent gedaald naar 436 duizend. Scholen begonnen een onderlinge strijd om een zo groot mogelijk deel van de leerlingenkoek binnen te halen. Zo namen zij leerlingen aan die ze onder normale omstandigheden naar een lager schooltype hadden verwezen. Met als gevolg een leegloop van het lager beroepsonderwijs, te zwakke leerlingen in havo en vwo, veel zittenblijven en schooluitval, en daarmee een haast onmogelijk werkklimaat. Met het toelaten van elke leerling die ze konden krijgen, probeerden scholen zo veel mogelijk gedwongen ontslagen te voorkomen. Toen het leerlingenaanbod zich vervolgens stabiliseerde, kwam er een einde aan de onmogelijke werksituatie voor veel leraren. Daarmee was weliswaar voor hen, maar niet voor het onderwijs alle leed geleden.

De daling van de leerlingenaantallen had ertoe geleid dat veel leraren hun baan kwijt raakten. Het lerarenbestand was toen nog relatief jong; slechts vijftien procent was vijftig jaar of ouder. Vervroegde pensionering bood dan ook slechts zeer ten dele een oplossing. Daar kwam bij dat de animo om het onderwijs vrijwillig te verlaten vrijwel nihil was: we bevonden ons midden in een economische crisis die tot begin jaren negentig zou voortduren. De vermindering van het personeel vond daarom voornamelijk plaats door gedwongen ontslagen. Omdat men daarbij vasthield aan het principe last in first out resulteerde dit in een ontgroening, waardoor het lerarenbestand kwam te bestaan uit voornamelijk oudere dertigers en veertigers. Van deze ontwikkeling plukt het onderwijs en daarmee trouwens de hele maatschappij nu de wrange vruchten en voorlopig zullen we daar nog wel een tijdje mee moeten doorgaan.

Momenteel is ongeveer 35 procent van de leraren ouder dan vijftig en, als het over tien jaar normaal is dat mensen tot hun 65ste blijven werken, zal tegen die tijd meer dan de helft van alle leraren ouder zijn dan vijftig jaar. Voor elke organisatie is het van belang dat er sprake is van een evenwichtige leeftijdsopbouw. Alleen maar ouderen haalt alle dynamiek weg uit een organisatie en dat is op veel scholen ook gebeurd. Maar daar kwam nog iets bij. De ontgroening van het lerarenbestand in de tweede helft van de jaren tachtig en begin jaren negentig viel gelijk met de opkomst van ict, de informatie- en communicatietechnologie. Het feit dat in het voortgezet onderwijs in deze cruciale periode van opkomst van nieuwe media nauwelijks jonge docenten waren te vinden, heeft ertoe geleid dat ict maar moeizaam zijn weg in het onderwijs heeft gevonden. Gezien de leeftijdsopbouw nu en in de komende tien jaar zal de ict-kloof tussen leraren en leerlingen voorlopig nog wel blijven bestaan.

De vergrijzing waar het onderwijs onder gebukt gaat, is het gevolg geweest van het volstrekte gebrek aan bestuurlijke moed. De minister van Onderwijs die daar iets aan had moeten doen heette Deetman, bekend van het beleidsinstrument de kaasschaaf. Van deze minister van pappen en nathouden waren geen moedige maatregelen te verwachten. Dus volgde hij dociel de eis van de vakbonden van last in first out en bezuinigde hij op de salarissen van nieuwkomers. Met als gevolg: de komende jaren een massale uitstroom van ouderen en veel te weinig belangstelling onder jongeren om hun plaatsen in te nemen.

lgm.prick@worldonline.nl