'Ik ben Jezus niet, maar ik kan wel alles genezen'

Ze gingen maar niet weg. Ik zag ze voor het eerst toen ik op een broeierige ochtend opstond en naar de badkamer liep. Overal vreemde, rode pukkels die er de avond tevoren nog niet zaten. Op mijn bovenarmen, in mijn hals. Was het uitslag? Of had het iets te maken met de antibiotica die de dokter had voorgeschreven? Dan maar geen mouwloos shirt vandaag, dacht ik een beetje moedeloos. De zoveelste kwaal had zich aangediend.

Leven in West-Afrika heeft een prijs. Ja, het is dag en nacht warm en bijna altijd zonnig. Je hebt nooit een jas nodig, geen sokken, geen sjaals. Maar het kost moeite om staande te blijven in een gebied dat vroeger ïn encyclopedieën kortweg werd afgedaan als 'ongezond klimaat'. Mijn eerste tropische ziekte was een aanval van malaria die ik dankzij een boek van Afrika-journalist Ryszard Kapuscinski binnen een uur als zodanig herkende. Later volgden huidschimmels, darmparasieten en infecties. De malaria is nog zeker vier keer teruggekomen, soms in lichte vorm, de laatste keer hevig. Het ergst was de tyfus waarvan ik niet wist dat je je ertegen kon inenten.

De kwalen die ik heb gehad, zijn niets vergeleken bij wat je allemaal kunt krijgen. Iedereen in Ivoorkust die zich niet laat opsluiten achter de airconditioning wordt een paar keer per jaar geveld door ziekte. Ziek zijn en beter worden zijn onderdeel van het dagelijks leven. Over de dood wordt liever gezwegen, maar de lichamelijke conditie doornemen is net zoiets als praten over het weer: altijd goed om een gesprek mee te beginnen. Na de standaardbegroeting 'hoe gaat het?' komt meestal de vraag: 'en de gezondheid?'. Bij 'ça va' ('het gaat') is alles in orde. Is het antwoord 'ça va un peu' ('het gaat een beetje'), dan weet je: ziek of herstellende.

Medicijnen zijn volop te krijgen. De armsten zijn aangewezen op planten en ambulante pillenverkopers. De iets minder armen wenden zich tot de alomtegenwoordige apotheker. Die bedient zijn klanten rustig zonder recept en stelt de diagnose aan de toonbank. Maar wie het kan betalen, kan overal terecht. Anders dan op het platteland, waar gebrek is aan goede gezondheidszorg, barst de hoofdstad Abidjan van de artsen, ziekenhuizen en privé-klinieken.

In mijn flat huist niet alleen een tandarts en een door de conciërge gewantrouwde Malinese medicijnman, maar ook een gyneacoloog. Toen de binnenplaats vorig jaar werd opgeschrikt door een groep luid jammerende vrouwen, begreep de buurt onmiddellijk dat er een patiënte was gestorven.

De strijd tegen virussen, bacteriëen en malariamuggen heeft me langs allerlei artsen gevoerd. Hier geen gedoe met zorgverzekeringen of wachtlijsten: je prikt een dokter uit het telefoonboek, laat je onderzoeken en rekent bij de uitgang weer af. Zo was er de Libanese arts die malaria met een injectie in de bil bestreed. Hij nam het geld voor het consult direct in ontvangst en vroeg met een gulle lach welk bedrag hij op het bonnetje moest schrijven. De vrouwelijke dokter die een hardnekkige infectie te lijf ging met antibiotica vertrouwde me toe dat ze zelf regelmatig een kuur slikte omdat het haar eetlust wegnam. Ze let nauwlettend op haar gewicht.

Ziek van antibiotica besloot ik dat de pukkels om een nieuwe benadering vroegen. Het was tijd voor een Afrikaanse guérisseur, een traditionele medicijnman. Ik was al vaak langs zijn omheinde woning aan de rand van de stad gereden. Een opvallende witte vlag wapperde boven zijn afrastering van gevlochten palmbladeren. Bij de ingang stond een bord met de tekst: 'Meester-medicijnman Midawo Avettey. Ik ben Jezus niet, maar ik kan wel alles genezen'.

Bij mijn aankomst trok hij een rode lendendoek aan en legde hij zijn mobiele telefoon weg. Na een blik op mijn bovenarmen mocht ik mee naar het altaar, een bonte verzameling houtsnijwerk, schelpen, fruit en lege drankflessen in een donkere hut. De geesten werden aangeroepen via een kalebas. Ingespannen luisterde de medicijnman naar het antwoord.

De uitleg van de geesten was als volgt: ik had de week tevoren een onbekende aangeraakt die mij kwaad wilde doen. Het euvel kon verholpen worden met een offer. Vier kippen, een patrijs, twee flessen gin en een doos eieren. Die hoefde ik niet zelf te kopen, dat zou Midawo voor mij doen. Daarna zou hij een speciale zeep maken waarmee ik de kwaal kon wegwassen.

'Schrijf de kosten maar op', zei Midawo, en hij legde een schrift in mijn schoot. Hij kwam uit op honderd euro, inclusief consult. Op mijn vraag of hij zijn Ivoriaanse patiënten ook dit soort bedragen berekende, reageerde hij quasi-beledigd. Geef het geld nou maar, dan maak ik die zeep, drong hij aan.

Een Ivoriaanse vriendin zei later dat ik nooit had moeten toegeven. Een integere medicijnman vraagt geen geld, hij neemt genoegen met wat de tevreden klant hem geeft. Genezende krachten zijn een gift die van ouder op kind wordt overgedragen. Daar mag de commercie geen greep op krijgen. Maar ja, medicijnman Midawo moet ook leven. Voor tien euro kreeg ik uiteindelijk mijn zeep, een naar Lux ruikende, vettige bol die sindsdien in een zwart plastic zakje in de hoek van mijn werkkamer ligt. De pukkels zitten er nog steeds.