'Het Pompeji van het Noorden'

'Die leren reistas met metalen beslag, waar de naam Van Giffen is ingegraveerd, ken ik niet. Die had hij in mijn tijd niet bij zich.'

Theo Toebosch

Dergelijke details krijg je te horen als je met Tjalling Waterbolk over de tentoonstelling Professor van Giffen en het geheim van de wierden in het Groninger Museum rondloopt. De nu tachtigjarige emeritus hoogleraar archeologie aan de Rijksuniversiteit Groningen was leerling en student-assistent en later de opvolger van A.E. van Giffen (1884-1973).

Albert Egges van Giffen was een van de belangrijkste Nederlandse archeologen, zo niet de belangrijkste. Hij ontwikkelde een nu nog steeds gebruikte opgravingsmethode en heeft talrijke hunebedden, prehistorische grafvelden en -heuvels, terpen en wierden, Romeinse nederzettingen en middeleeuwse kerken onderzocht en opgegraven. Verder was hij conservator van de musea van Groningen en Assen, hoogleraar in Groningen en Amsterdam en de eerste directeur van de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek.

Van huis uit bioloog, bestudeerde Van Giffen niet alleen de materiële cultuur van mensen maar ook hun natuurlijke levensomstandigheden, schrijft Waterbolk in de inleiding van het boek dat de tentoonstelling begeleidt (en dezelfde titel draagt). Heel wat zaken die nu vanzelfsprekend zijn heeft Van Giffen geïntroduceerd. Zo zorgde hij voor het samengaan van archeologie en natuurwetenschappelijk onderzoek als paleobotanie en zoölogie en liet hij landschapreconstructies tekenen, compleet met dwarrelende rook uit huizen en een man met een ossenwagen.

Waterbolk bezoekt de tentoonstelling voor de tweede keer. Tijdens de opening, waar staatssecretaris Van der Laan de aanwezige archeologen onaangenaam verraste door te spreken over de 'achttiende-eeuwse professor van Griffen' die spullen 'uit de ijstijd' opgroef, was het zo druk dat hij geen goede indruk kon krijgen. Een mooie, interessante tentoonstelling', zegt hij nu. Mooi en interessant is ook het begeleidende boek, met prachtige paginagrote historische foto's van afgravingen van wierden. Eveneens fraai zijn de foto's van Hans Sas van het huidige wierdenlandschap ten noorden van Groningen.

Boek en tentoonstelling stellen het onderzoek van de wierden centraal, maar ook is er aandacht voor Van Giffen zelf en zijn (wetenschappelijke) leefwereld. Domineeszoon Van Giffen volgde als student in Groningen colleges bij de geoloog Van Calcar. Die vroeg in 1908 Van Giffen 'namens de wetenschap' toezicht te houden bij de commerciële afgraving van de wierde van Dorkwerd. De afgegraven grond werd als meststof verkocht aan boeren op de armere zand- en veengronden. Mensen als Van Calcar, die zich in hun vrije tijd met oudheidkunde bezighielden, waren bang dat door de afgravingen veel informatie verloren zou gaan over woonheuvels die ooit door mensenhanden in een dynamisch landschap zonder dijken tegen het wassende zeewater waren opgeworpen.

Van Giffen begon in Dorkwerd met het verzamelen van de biologische resten. Met de afgravers van zeventig andere wierden maakte hij de afspraak dat ze archeologische vondsten aan hem zouden melden. Hij riep op tot gestructureerd onderzoek om zo eindelijk eens de ontstaansgeschiedenis van de terpen en wierden te achterhalen.

Een mooie taak voor het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden (RMO), in die tijd het enige archeologische instituut van het land. De Groningse aardappelfabrikant J.E. Scholten verklaarde zich bereid een opgraving te financieren, maar vader en zoon Holwerda, die het RMO leidden, sloegen het aanbod af. Te weinig personeel, was het argument. Holwerda jr. was niettemin onder de indruk van het enthousiasme van de tien jaar jongere Van Giffen en vroeg hem assistent in Leiden te worden.

Het werd de kiem voor ruim dertig jaar tweespalt in de Nederlandse archeologie. Eigengereid als hij was, zo blijkt uit de bijdrage van Leo Verhart in het boek, probeerde Van Giffen - die Holwerda jr. een slechte opgraver vond - in Leiden de boel naar zijn hand te zetten. Dat viel in het formele RMO niet goed en na veel ruzies vertrok Van Giffen weer naar Groningen. Vanuit zijn Biologisch-Archaeologisch Instituut leidde Van Giffen zijn jarenlange prestigestrijd tegen Holwerda.

De tentoonstellingmakers hebben die strijd mooi verbeeld. In de ene zaal tonen gipsen kopieën van klassiek Griekse beelden de denkwereld van Holwerda jr. Als classicus was hij ervan overtuigd dat de oorsprong van de Nederlandse bevolking in Zuidoost-Europa gezocht moest worden. Het 'bewijs': resten van 'koepelgraven' die hij op landgoed 't Loo had opgegraven - met de oervorm van het stenen koepelgraf zoals dat uit het Griekse Mycene bekend was. Van Giffen zou later aantonen dat het gewoon grafheuvels waren.

In de zaal ernaast verwijzen een microscoop van Carl Zeiss en een 'wierde' van dierenschedels naar Van Giffens overtuiging dat de combinatie van natuurwetenschap en archeologie nodig is voor prehistorisch onderzoek.

Eén wand hangt vol geschilderde portretten van mannen die van belang zijn geweest voor Van Giffens carrière. Onder hen aardappelfabrikant J.E. Scholten, die vele onderzoeken heeft gefinancierd. Van Giffen bezat de gave om hooggeplaatsten voor zich te winnen en van alles van hen gedaan te krijgen. Tegenover zijn assistenten was hij streng. Zij moesten dag en nacht voor hem klaar staan, weet Waterbolk uit eigen ervaring.

Begin jaren dertig kreeg Van Giffen in Ezinge eindelijk de gelegenheid om een wierde systematisch op te graven. Voor de eerste keer legde een archeoloog de bewoningsgeschiedenis van een plaats buiten de klassieke wereld bloot. Ezinge werd het 'Pompeji van het Noorden', waarvan, zo stelde Van Giffen vast, de vroegste bewoningsfase uit de vijfde eeuw voor Christus stamde. De bewoners van het hoge Noorden waren niet, zoals bij de Romeinse schrijver Plinius te lezen viel, armzalige vissers in paalwoningen maar boeren die op de kunstmatige heuvel vee hielden en gewassen verbouwden.En Romeins aardewerk uit Tunesië wees op contacten met de buitenwereld.

Het onderzoek aan wierden leverde ook het antwoord op de vraag of er sprake was van een snelle zeespiegelrijzing. Van Giffen kwam op 10 centimeter per eeuw, niet slecht.

Staand voor het portret van geoloog Van Calcar stelt Waterbolk vast dat geologie een belangrijke rol heeft gespeeld in de geschiedenis van de Nederlandse archeologie. Van Giffens wierdenonderzoek zou nooit zoveel steun hebben gekregen als niet ook het geologische vraagstuk van bodemdaling en zeespiegelstijging een rol had gespeeld.'

Ook het nog steeds in hoog aanzien staande Groningse C14-laboratorium (voor dateringen), waarvoor Van Giffen in de jaren vijftig de aanzet heeft gegeven, zou er zonder de geologie niet zijn gekomen.

Geologisch onderzoek stond ook aan het begin van de Nederlandse scheepsarcheologie. Bij de drooglegging van de Noordoostpolder in de jaren veertig kreeg Van Giffen het voor elkaar dat een assistent scheepswrakken mocht opgraven. De verantwoordelijke instanties hadden hun goedkeuring verleend omdat geologen aan de hand van voorwerpen in de schepen afzettingslagen konden dateren.

Boek en tentoonstelling melden dat niet expliciet. Dat is het voordeel van het bezoeken van een tentoonstelling in gezelschapvan een oude ingewijde geleerde. Dan hoor je net iets meer.

tentoonstelling: 'professor van Giffen en het geheim van de wierden'. Groninger museum, t/m 9 april. catalogus: € 34,95. Isbn 90 78214 01 5.