Grimmig, intens werk van Kox

Concert: Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Markus Stenz met Leon Fleisher, piano. Gehoord: 9/3 Concertgebouw, Amsterdam. Herh.: 10/3. Inl.: www.concertgebouw.nl. Radio 4: 12/3, 14.15u, Avro.

'Er is weinig hoop in deze tijd. De enige hoop die overblijft is de wanhoop.' Woorden van componist Hans Kox, geciteerd in de toelichting bij zijn Umbrae Futurae, dat in première ging bij het Koninklijk Concertgebouworkest en morgen is te horen op Radio 4. 'Schaduwen van de toekomst': van cultuurpessimist Kox hoef je geen feel-good muziek te verwachten.

Met een duistere altfluitsolo boven geïsoleerde baspizzicati kondigt Kox' nieuweling zich aan. Wat volgt is een koortsachtige opeenvolging van contrasterende fragmenten, die vaak grimmige associaties oproepen. Pulserende pauken en blazers doen denken aan een dodenmars; de strijkers jakkeren voort, op de vlucht door een desolaat landschap.

Kox lijkt vaak bewust voor een weinig homogene orkestratie te hebben gekozen, om op geen enkele manier de schijn van comfort te wekken: tegen het slot van het eerste deel staat een tuba in zijn eentje naast een strijkersmelodie, terwijl felle koperakkoorden het geheel meedogenloos doorklieven. Zulke tegenstellingen vormen het wezen van Umbrae Futurae, dat Kox nog gaat uitbreiden tot een Vijfde symfonie.

Hij schreef Umbrae Futurae in opdracht van het orkest, ter gelegenheid van Sjostakovitsj-jaar 2006. Vooral in het tweede deel lijkt hij goed naar die componist te hebben geluisterd. De intense, eenstemmige strijkersmelodieën zouden zo uit een van diens symfonieën kunnen komen. Ondanks de duisternis is Umbrae Futurae heel toegankelijk. Grimmig en grillig, maar absoluut geslaagd.

Leon Fleisher soleerde uitstekend in pianoconcerten van Hindemith en Prokofjev; beide geschreven voor de éénarmige pianist Paul Wittgenstein (de broer van filosoof Ludwig, aan wie Kox toevallig het motto van Umbrae Futurae ontleende).

Hindemiths Klaviermusik mit Orchester (1923) werd pas recent herontdekt, maar Prokovjef slaagde er in zijn Vierde pianoconcert (1931) beter in te doen vergeten dat de pianist slechts zijn linkerhand gebruikt, met soepele polyfonie en grote sprongen. In Hindemith liet Stenz het orkest de pianist - op halve kracht - ook wel te veel overstemmen.

In Sjostakovitsj' heroïsche Oktober (1967) straalde vooral het volmaakt spelende orkest. Zo beloven de concerten van volgende week, weer onder Stenz en met onder meer Sjostakovitsj' Vijftiende symfonie, een waar feest te worden.

    • Jochem Valkenburg