Geruisloze blindheid

Leo Prick onderzocht 20 jaar Kamerdebatten over onderwijsvernieuwing. 'Je gelooft je ogen niet.' Guus Valk

Leo Prick onderwijsdeskundige heeft een boek geschreven over de onderwijs vernieuwing. Voor interview Guus Valk wetenschap. FOTO: BRAM BUDEL Budel, Bram

Leo Prick neemt een slokje van zijn koffie, kijkt even uit het raam en zegt dan: Over idealistische politici moet ik heel kritisch zijn.' Een paar momenten later heeft hij - waarschuw me als het 'opa vertelt' wordt' - op beleefde toon gehakt gemaakt van de Tweede Kamer en van de achtereenvolgende ministers en staatssecretarissen van Onderwijs. Onderwijsjournalisten en -ambtenaren neemt hij ook nog even mee.

Het gisteren verschenen boek Drammen, dreigen, draaien van Leo Prick, ex-leraar, onderwijsadviseur voor beleidsmakers en columnist voor deze bijlage, is vooral te lezen als een afrekening. 'Hoe het onderwijs twintig jaar vernieuwd werd', is de ondertitel. Wie denkt dat 'vernieuwd' hier hetzelfde betekent als 'verbeterd', haalt Prick al aan het begin van het gesprek, bij hem thuis in Amsterdam, uit de droom.

Het onderwijs, zegt Prick, heeft jarenlang te lijden gehad onder vernieuwers'. Het ideaal was: we maken geen verschil meer tussen leerlingen. Zelfs notoir zwakke leerlingen, die naar speciale scholen voor individueel onderwijs moeten, werden beschouwd als normale kinderen, die heus ook wel op hetzelfde niveau les kunnen krijgen als slimme leerlingen. Het is idealisme waar ieder verschil tussen mensen is weggepoetst.'

Is idealistische politiek dan echt schadelijker dan cynische politiek?

Prick: Er hoeft natuurlijk niets mis te zijn met idealisme. Maar het kan je wel blind maken voor de beperkingen die de werkelijkheid biedt.'

En dat is in het onderwijs gebeurd?

Ja, dat is gebeurd. Heel duidelijk.'

De Basisvorming, de Tweede Fase, het Studiehuis, het vmbo: het waren grote onderwijsvernieuwingen die de politiek relatief geruisloos omarmde. Zeker nadat staatssecretaris Wallage (PvdA) begin jaren negentig de invoering van de politiek omstreden basisvorming door de Tweede Kamer kreeg, praatte de Tweede Kamer vooral over technische kwesties, zegt Prick.

Prick neemt in het gesprek bij hem thuis én in zijn boek veel tijd voor de manier waarop de Tweede Kamer iedere keer akkoord ging met vernieuwingen. Tekenend is voor hem het debat over de invoering van het vmbo, op 28 januari 1998. De Kamer behandelt, na maandenlang in commissies te hebben onderhandeld, het uiteindelijke wetsvoorstel in de plenaire zaal. Fractievoorzitter Bas van der Vlies (SGP) krijgt, zo blijkt uit zijn bijdrage, twijfels. Hij krijgt het gevoel' dat de consequenties (...) nog niet echt worden overzien' en stelt een serie vragen daarover.

Onmiddellijk grijpt de PvdA-fractie in. Kamerlid Liemburg zegt in haar interruptie dat wij vanavond zaken vastleggen' in plaats van structuurdiscussies' te gaan voeren. Van der Vlies trekt zijn bezwaren in door te zeggen dat er dan later nog maar eens over gepraat moet worden. Prick: Dit debat vind ik symbolisch voor het falen van het parlement. De Tweede Kamer moet de regering controleren, maar deed dat in de grote onderwijsdossiers niet. In plaats daarvan maakte zij zich medeverantwoordelijk.'

De begin jaren negentig ingevoerde basisvorming, in feite een afgezwakte variant van het sociaal-democratische ideaal van de middenschool, was een van de laatste stuiptrekkingen van het ideaal van de volledig maakbare maatschappij. Meer nog dan de vernieuwingen die erna kwamen. De basisgedachte', zegt Prick, was niet zo verkeerd. Kinderen moeten meer op de goede plaats terechtkomen, afhankelijk van hun kwaliteit. Sociaal-economische factoren, zoals de afkomst, zouden een kleinere rol spelen bij de schoolkeuze. En daardoor zou een onrechtvaardige situatie bestreden kunnen worden. Maar dit idee sloeg om in een drang om verschillen te ontkennen. Daardoor kregen alle leerlingen, ongeacht hun niveau, hetzelfde onzinnige pakket van vijftien vakken.'

Maar Prick wil wel het beeld nuanceren dat alle onderwijsvernieuwingen van de laatste twintig jaar alleen maar het gevolg zijn van een wat zwaar aangezet socialistisch mensbeeld. In minstens even grote mate gaat het volgens hem om een beleidsreactie op economische en demografische trends.

Een groot deel van de problemen van het onderwijs van vandaag zijn terug te voeren op de jaren tachtig. De leerlingaantallen liepen opeens hard terug.'

Scholen namen daardoor, overigens gesteund door overheidsprikkels, minder jonge leraren aan. Prick: Er gebeurden twee dingen. Het lerarenbestand vergrijsde sinds die jaren. Tot vandaag zijn daar de gevolgen van te zien. Daarbij veranderde de onderwijspraktijk. Scholen wilden leerlingen aannemen die het niveau eigenlijk niet aankonden. Het havo en vwo kwamen zo wel vol te zitten. De klappen vielen op de mavo en het voorbereidend beroepsonderwijs.'

Het is het begin geweest van een grote scheefgroei in het onderwijs. 'Iedereen vroeg zich af waarom het rendement van het Nederlandse onderwijs zo laag is. Vind je het gek? Scholen hebben leerlingen toegelaten die daar niets te zoeken hadden.'

De invoering van de tweede fase in de bovenbouw van het havo en vwo waren, zegt Prick, een poging de scheefgroei enigszins te herstellen. De oorspronkelijke doelstelling van deze onderwijsvernieuwing, ingevoerd vanaf 1998, was om het eindexamenprogramma zwaarder te maken. Daarbij hoorde een inhoudelijke verbreding - meer wiskunde, geschiedenis en algemene natuurwetenschappen - en een andere manier van lesgeven: het Studiehuis. Leerlingen moesten zelfstandiger werken en meer werkstukken maken.

Prick: Het rendement moest verbeteren door een verzwaring van het lesprogramma. Zo zouden er minder leerlingen naar het havo en vwo gaan. Bijkomend voordeel was dat het percentage afvallers op het hbo en de universiteit zou verminderen.'

Maar ook de haast van toenmalig staatssecretaris Netelenbos (PvdA) om een paar jaar later het vmbo in te voeren, is als reactie op hetzelfde fenomeen te zien. Kinderen gingen steeds minder vaak naar het voorbereidend beroepsonderwijs. Netelenbos zocht daar een antwoord op. De oplossing zat in het samenvoegen van mavo en vbo.'

Er is ook een ideologische component aan het vmbo. Leerlingen in het speciaal onderwijs moesten integreren in het regulier onderwijs. Toch is het vmbo onmogelijk als een typisch sociaal-democratische vernieuwing te verkopen. Prick: Er is een ideologisch sausje overheen gegoten. Maar de invoering van het vmbo had ook als doel dat er een tweedeling tussen voorbereidend beroepsonderwijs aan de ene kant en havo en vwo aan de andere kant zou ontstaan. Dat zou de status verhogen van het beroepsonderwijs. Vanuit haar gelijkheidsbeginsel was de PvdA die tweedeling altijd tegengegaan.'

U betoogt dat de onderwijsvernieuwingen in sommige opzichten aan elkaar tegengesteld waren?

Ze waren 100 procent tegengesteld. Kinderen moesten hun definitieve schoolkeuze uitstellen in de basisvorming, het liefst tot hun vijftiende jaar. Tegelijkertijd wordt de bovenbouw van havo en vwo verzwaard, waardoor overstappen van mavo naar havo moeilijk is gemaakt. Vervolgens worden mavo en vbo verbouwd tot vmbo. Hiermee heeft Netelenbos, een socialistische staatssecretaris nog wel, een tweedeling laten ontstaan die Nederland tot dan toe, zeker vergeleken met het buitenland, nauwelijks gekend had.'

Maar de Eerste en Tweede Kamer zijn gewoon met alle plannen akkoord gegaan. Daarmee zijn de gevolgen van de vernieuwingen toch moeilijk alleen nog op een paar PvdA-politici terug te voeren?

Dat de Tweede Kamer akkoord ging met het vmbo en de tweede fase, heeft tal van oorzaken. Een belangrijke is dat Netelenbos het heel slim speelde. Ze presenteerde de naderende tweedeling in het onderwijs als een verbetering. Tot dan toe, zei ze, was er sprake van een vierdeling: vbo, mavo havo en vwo.'

Na een korte stilte: En dat wordt gepikt. Dat wordt gepíkt! Lees de verslagen van de Kamerdebatten nog maar eens terug. Je gelooft je ogen niet. Kamerleden moeten de regering controleren. Ze moeten dan ook gevolgd worden als kritisch volger van het regeringsbeleid. Bij een gigantische ingreep als het opheffen van het speciaal onderwijs zijn argumenten gebruikt als 'we weten niet hoe het uitpakt, maar laten we het maar eens proberen.' Sharon Dijksma en Mohammed Rabbae zeiden enkele jaren na de invoering van de basisvorming in de Tweede Kamer dat het goed gaat, want kinderen stellen volgens plan de schoolkeuze uit. Het Sociaal en Cultureel Planbureau had allang beschreven dat dat niet klopt. Dat politici daarmee wegkomen, is zeker achteraf bezien onbegrijpelijk.'

De VVD wil het vmbo nu afschaffen, terwijl de partij er destijds groot voorstander van was. De PvdA heeft afstand genomen van de basisvorming. Is dat politiek opportunisme?

Een kortetermijngeheugen vooral. Vergeet niet: de onderwijsvernieuwingen waren breed gedragen. De politiek was het er over eens dat uitstel van schoolkeuze, het ideaal van de basisvorming, goed was. En dat terwijl geen ouder er op zat te wachten, zo bleek uit een enquête rond die tijd. Dat krijg je als je je laat leiden door ideeën in plaats van de werkelijkheid.'

De huidige minister Maria van der Hoeven heeft een andere lijn gekozen. Zij zegt juist een niet-ideologische politiek te voeren en te luisteren naar scholen en ouders. Is dat dan beter? Het aantal uitvallers op school stijgt sinds haar aantreden alleen maar.

Ja. Ik zit hier niet haar politiek te verdedigen. Het is goed dat ze geen grootscheepse vertimmeringsoperaties heeft aangekondigd. Maar Maria van der Hoeven komt uit de sfeer van de schoolbesturen en schoolleiders. Het grote probleem is nu dat ze de scholen autonoom heeft gemaakt. Want, zo is de gedachte, scholen weten zelf het beste wat goed voor hen is. Ten behoeve van die autonomie gingen scholen samen in grote schoolbesturen, om een betere organisatie te hebben.

Die besturen trekken op dit moment allemaal taken van de scholen naar zich toe. Sommige scholen hebben zelfs de aanmelding van leerlingen uitbesteed aan de besturen. Die bepalen waar kinderen naartoe gaan. Er is een gedwongen winkelnering ontstaan. En juist ten tijde van een kabinet dat de mond vol heeft over de vrije markt, is de marktwerking volledig uit het onderwijs verdwenen.'

Pleit u voor minder autonomie voor scholen?

Ik verwijt de politiek dat ze de scholen autonomie hebben gegeven, zonder daar grenzen aan te stellen. Daarbij ben ik ervan overtuigd dat scholen erbij gebaat zijn als er iets van concurrentie zou zijn. In Amsterdam zijn, dankzij de grote vraag van ouders, vijf zelfstandige gymnasia die goed presteren. En dat terwijl er scholengemeenschappen zijn waar meer dan de helft van het geld opgaat aan besturen en overhead. Waarom is er nooit iets gezegd over de mate waarin overheidsgeld aan het onderwijs zelf besteed moet worden? Maar de Tweede Kamer heeft de meeste zeggenschap over het onderwijs de laatste jaren weggegeven aan de schoolbesturen. Die kans is voorgoed verkeken.'