Frans patriottisme, Frans protectionisme

Economisch patriottisme is niet nieuw in Frankrijk. Links en rechts voelen zich er even goed bij thuis. Het past bij een politieke cultuur waarin staat en ondernemingen van oudsher nauw met elkaar zijn verbonden. Toch groeit het onbehagen. Juist bij de multinationals die de regering-Villepin tegen vijandige overnames zegt te willen beschermen.

Coterie

In 2001 kreeg Jean-François Cirelli - toen nog niet de topman van Gaz de France - een aanbod. Of hij bij de Franse private energiegroep Suez wilde komen werken. Bij Suez-topman Thierry Mestrallet. Zijn bureau stond klaar. Cirelli wilde wel, maar zijn werkgever liet hem niet gaan. En hij kon het verzoek om te blijven niet weigeren. Want die werkgever was president Chirac. Cirelli was sinds 1997 economisch medewerker van het Franse staatshoofd. In 2004 werd hij benoemd bij Gaz de France.

Deze anekdote deed de afgelopen weken in Franse media dienst als een aardig ironisch zijlicht bij de aangekondigde fusie tussen Gaz de France (GDF) en energiegroep Suez. Een lotsbestemming ontloop je niet, zo bleek maar weer.

Of dat echt zo is, moet nog blijken. De fusie, zo blijkt nu, kan bijvoorbeeld stuklopen wanneer Suez voor de afronding ervan alsnog in andere handen overgaat door een vijandige overname. Maar als de twee Franse energiebedrijven samengaan, vormen Mestrallet en Cirelli aan het einde van dit jaar een koppel. Mestrallet als nummer één, Cirelli als nummer twee van de nieuwe Europese nummer twee in energie. Direct na EDF, dat andere Franse staatsbedrijf dat geleid wordt door een ex-topambtenaar, Pierre Gadonneix, die tot 2004 de voorganger van Cirelli bij GDF was.

Niet iedereen in Frankrijk glimlachte bij deze 'toevallige' samenloop van omstandigheden. 'De fusie tussen Suez en Gaz de France is een schandalig voorbeeld van de verknooptheid van politiek en bedrijfsleven', oordeelt bijvoorbeeld - off the record - een ex-topman van een buitenlandse multinational in Frankrijk. 'Het laat zien dat er in Frankrijk nog aldoor een klein netwerk fungeert van politici en topmannen die elkaar heel goed kennen en denken dat zij samen even dit soort beslissingen kunnen nemen. En de Franse regering blijft maar doen alsof zij de baas is.'

Gérard Mestrallet is in dit beeld eigenlijk een uitzondering. Weliswaar is ook hij - net als Cirelli en anderen - opgeleid aan de eliteschool voor Franse ambtenaren ENA, maar hij werkte altijd in de privé-sector. Van Suez maakte hij een Europese groep, die Frans-Belgisch is sinds de overname van Electrabel vorig jaar.

Cirelli werd in juli 2004 benoemd op de hoogste post bij Gaz de France om de introductie van het gasbedrijf op de beurs voor te bereiden. Om het verzet van de vakbonden daartegen te verzachten, had de regering-Raffarin - met Cirelli inmiddels als adjunct in de persoonlijke staf van de premier - in 2003 een wet opgesteld om vast te leggen dat het aandeel van de Franse staat in GDF niet onder de 70 procent mocht zakken. Daardoor raakte het samengaan van Suez en Gaz de France, waarover al jaren af en toe gesproken werd, uit beeld.

Maar na de beursgang van GDF in 2005 kwam daar snel weer verandering in, zo is nu gebleken. De topmannen van Gaz de France en Suez zeggen dat zij hun samengaan al maanden, sinds vorig najaar, hebben voorbereid. Maar zij hadden de medewerking nodig van de Franse regering, omdat een fusie een vermindering van het aandeel van de Franse staat betekent. En dus een wetswijziging vraagt van de wet van de regering-Raffarin uit 2003. Daarom moest Cirelli, de ex-adviseur, met regelmaat op bezoek bij minister van Financiën Thierry Breton. Dezelfde die in 2003, toen Cirelli nog voor Raffarin werkte, regelmatig bij de regering langskwam omdat hij de topman was van het toen in nood verkerende France Télécom.

Uit reconstructies van de afgelopen weken rijst het scenario op dat de Franse regering pas voor een fusie tussen Suez en GDF ging voelen toen duidelijk werd dat het Italiaanse energiebedrijf Enel een vijandig bod op Suez voorbereidde - al blijft vooralsnog onduidelijk wanneer zij daarvan precies op de hoogte raakte en hoe actief haar rol daarna was.

Premier Villepin zou de operatie volgens sommige betrokkenen het liefst hebben uitgesteld tot na de Franse presidentsverkiezingen in 2007. Toch bleek van dergelijke reserves niets toen Villepin de fusie persoonlijk, op een inderhaast belegde persconferentie op een zaterdagmiddag aankondigde. De raden van bestuur van Gaz de France en Suez moesten daarna, ook overhaast in het weekeind, nog bijeenkomen om hun instemming te geven.

Terecht of niet, de verdenking was zo in elk geval gevestigd: Cirelli en Mestrallet hadden van de Franse regering de opdracht gekregen om haast te maken met hun fusie omdat Enel op de loer ligt.

'Een heel open economie'

Een op de zeven Fransen werkt in eigen land voor een buitenlandse onderneming. Daarmee is de Franse economie opener dan die in Nederland, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk, aldus het nationale bureau voor statistiek en economisch onderzoek Insee deze maand. In deze landen heeft een op de tien werknemers een buitenlandse werkgever, in de Verenigde Staten een op de twintig. Tussen 1993 en 2003 hebben buitenlandse bedrijven hun aandeel in de Franse werkgelegenheid verdubbeld tot 1,9 miljoen mensen.

De Franse economie staat internationaal niet bekend als een wonder van marktgerichtheid. Frankrijk heeft een van de grootste ambtenarenapparaten van de wereld - onder meer omdat de Franse Poste en EDF in overheidshanden zijn. Bij publieke diensten die wel geprivatiseerd zijn of worden, houden de werknemers hun status van ambtenaar, met gunstige pensioenvoorwaarden.

Uit het recente onderzoek naar de openheid van de Franse economie door Insee blijkt dat in tien jaar bijna twee keer zoveel Fransen voor buitenlandse werkgevers zijn gaan werken. Volgens de Franse premier Dominique de Villepin is Frankrijk daarmee 'een van de meest open economieën in de wereld' - en dus wel het tegendeel van een gesloten, protectionistische natie. Zijn ministers halen graag nog andere cijfers aan om die openheid te illustreren. Buitenlandse ondernemingen hebben hun investeringen in Frankrijk vorig jaar verdubbeld: van 19,6 miljard euro in 2004 (dat was ook een relatief mager jaar) naar 38,3 miljard euro vorig jaar.

Maar gaat het daarom ook goed met Frankrijk? Sommige economen vinden van niet. Tegenover de toename van buitenlandse investeringen staat bijvoorbeeld dat Franse bedrijven nog altijd veel meer kapitaal naar het buitenland brengen - vorig jaar 79,7 miljard euro, onderstreepte bijvoorbeeld de Parijse econoom Jacques Marseille. Het handelstekort - trouwens ook een graadmeter voor de openheid - bereikte in 2005 een recordhoogte.

De toename van het aantal buitenlandse bedrijven in Frankrijk wordt vooral verklaard doordat zij bestaande Franse bedrijven overnemen. Een 'patriottische' reactie daarop is niet alleen bij de regering-Villepin in zwang. Zo stelde een prominente bestuurder van de Parti Socialiste onlangs voor een fonds in te stellen om met name succesvolle start-ups 'tijdelijk te nationaliseren'. Fransen beginnen immers wel veel ondernemingen, maar slagen er vaak niet in deze uit te bouwen tot winstgevende grotere bedrijven.

De regering-Villepin richt haar maatregelen vooral tegen vijandige overnames. Zo komen er 'Bretonbonnen' - de Franse variant op de gifpil - inschrijfbonnen op aandelen die bedrijven onder voorwaarden aan hun aandeelhouders kunnen verstrekken om het kapitaal te vermeerderen en zo een vijandige overname moeilijker te maken. Deze maatregelen zijn niet uitzonderlijk in Europa - zij gaan terug op een Europese richtlijn.

Ook zet de regering de Caisse des Dépôts weer in - een investeringsfonds dat in de jaren tachtig gold als de 'gewapende arm' van de regering om nationalisaties door te voeren. Maar op aandelenbeurs is de Caisse des Dépôts met een fonds van ongeveer dertig miljard euro een bescheiden wapen. Dat Frankrijk geen pensioenfondsen heeft zoals andere landen, die op de beurs actief zijn, is juist een van de factoren die verklaart dat de Franse bedrijven met noteringen in Parijs relatief makkelijke prooien zijn voor overnames, zo voerde bijvoorbeeld de econoom Elie Cohen aan.

Tegen deze achtergrond komt in Frankrijk voorzichtig een debat op gang of er niet een 'goed patriottisme' kan worden ontwikkeld, dat niet leidt tot een grotere geslotenheid van de Franse economie, maar juist tot een grotere bijdrage van de Fransen aan de groei van de eigen economie. Een recente studie van het liberale 'ideeënlaboratorium' Institut Montaigne bevat een pleidooi om Frankrijk te transformeren in 'een samenleving van aandeelhouders'. Fransen beleggen wel relatief weinig via collectieve fondsen, maar sparen veel: honderden miljarden euro's van Franse gezinnen liggen 'ongebruikt' langs de zijlijn, voerde ook de econoom Jacques Marseille onlangs in het weekblad Le Point aan. De conservatieve Fransen het vertrouwen geven dat beleggen loont, dat zou 'het ware patriottisme' zijn.

Overnamegevaar

Negen beursgenoteerde Franse ondernemingen staan op de ' liste rouge' die, zo onthulde de Franse krant La Tribune vorige week, op het bureau van de Franse premier Dominique de Villepin ligt wegens 'overnamegevaar'. Deze 'rode lijst' dateert van vorig najaar: In alfabetische volgorde: Arcelor (staal), Carrefour (supermarkten), Casino (supermarkten), Danone (zuivel), Saint-Gobain (glas), Société Générale (bank), Suez (energie), Thomson (elektronica), Vivendi Universal (media). Er staat ook nog 'een tiental' ondernemingen op die niet beursgenoteerd zijn. Opmerkelijk is dat Arcelor geen Frans, maar een Luxemburgs bedrijf is.

Premier Dominique de Villepin bekende zich tot het economische patriottisme vorige zomer, toen het politieke debat in de greep was van geruchten dat er een overnamebod op komst was van het Amerikaanse Pepsi op het Franse zuivelconcern Danone. Dat bod bleef uit, maar de regering stelde wel een lijst op van tien strategische sectoren die door Frankrijk beschermd zullen worden. Wel de militair-technologische industrie en energie, maar niet de voedingsindustrie waartoe Danone behoort. Critici van Villepin brachten ook naar voren dat Danone, zoals de meeste andere grote Franse bedrijven, zijn winst grotendeels buiten Frankrijk maakt. Niettemin belandde Danone wel op de 'liste rouge' van Franse bedrijven die ten prooi kunnen vallen aan een overname.

Dergelijke discussies over ongerijmdheden van het Frans patriottisme konden Villepin in de binnenlandse politiek nauwelijks deren. Hij is lang niet de eerste regeringsleiders die er mee schermt - De Gaulle deed het, de liberale premier Balladur halverwege de jaren negentig ook, en zijn socialistische voorganger Jospin kwam er in 2001 nog mee. En als de woorden ontbreken, zijn er nog de daden.

Toch lijkt er dit keer iets veranderd. Na het overnamebod van het door Indiërs geleide staalconcern Mittal op het Franse Arcelor slikte de Franse regering haar aanvankelijke blijken van vijandigheid in. En in navolging van de kritische reactie in Europa op de Suez-GDF-fusie borrelen ook in Frankrijk bezwaren op. Het spits werd afgebeten door Henri de Castries, de topman van de Franse verzekeraar Axa. Hij veroordeelde in een interview in La Tribune economisch patriottisme als 'een archaïsche manier om naar de wereld te kijken'. Frankrijk moet accepteren dat de open economie een gegeven is. 'Alle sectoren die wij beschermd hebben zijn daar zwakker van geworden.'

Daarna volgden meer kritische geluiden, ook van bedrijven op de liste rouge van Villepin. Daniel Bouton, de president van de bank Société Générale wil niet horen van bescherming in zijn sector, bleek in de Franse krant Le Figaro, zolang het gaat om Europese overnames die volgens de regels verlopen. Politici 'in verschillende landen' lopen uit de pas met de 'noodzaak' voor bedrijven om grote Europese groepen te vormen. Volgens José-Luis Duran, bestuursvoorzitter van supermarktconcern Carrefour, zijn economische en financiële prestatie 'de enige mogelijke verdediging' voor zijn groep. Zelfs Mestrallet van Suez en voorzitter Guy Dollé van Arcelor, direct geconfronteerd met mogelijke vijandelijke overnames, nemen het woord patriottisme niet in de mond, en benadrukken hooguit de Europese identiteit van hun groep. 'Er is niets tegen vijandige overnames,' verklaarde Dollé onlangs, 'dat doen we zelf ook overal in de wereld.' Arcelor had toen net het Canadese Dofasco overgenomen.

    • René Moerland