En weer wordt het niks

Het zou zo mooi kunnen zijn, overal veilige kerncentrales zonder CO2-uitstoot. Maar uit een analyse van het MIT blijkt dat het opeens te duur is - omdat het zo veilig moest zijn. Karel Knip

Precies 25 jaar nadat minister van economische zaken Gijs van Aardenne de aanzet gaf voor een Brede Maatschappelijke Discussie (BMD) over de wenselijkheid van meer kerncentrales in Nederland is dit debat behoedzaam heropend. Deze keer komt het initiatief van staatssecretaris voor milieu Pieter van Geel die bezorgd is over broeikaseffect en klimaatverandering. De huidige minister van economische zaken is ook wel voor nieuwe reactoren, maar liefst wat verderop in Europa. Hier is geen draagvlak, denkt hij.

Destijds stond het kernenergie-debat in het teken van de diversificatie. Na bittere ervaringen met een olieboycot in 1973 en ongekende OPEC-prijsopdrijving in 1978 wilde Nederland minder afhankelijk worden van aardolie. (In die jaren gebruikten sommige elektriciteitscentrales nog aardolie.) Ook het door de Club van Rome verspreide besef van eindigheid van grondstoffen speelde een rol. Het broeikaseffect niet, daarvoor was nog nauwelijks aandacht.

Maar het maatschappelijk wantrouwen jegens kernenergie was door het ongeluk met de centrale van Harrisburg (Three Mile Island) in 1979 juist fel aangewakkerd. In 1984 kwam het Eindrapport van de BMD dan ook tot de conclusie dat een beslissing nu niet voor de hand lag, waarna het kabinet Lubbers in 1985 prompt besloot tot de bouw van twee kerncentrales, elk met een vermogen van 900 tot 1300 MW. Men was nog doende een geschikte locatie te zoeken toen het ongeluk met de centrale van Tsjernobyl in 1986 een eind maakte aan de nucleaire droom. Tot het eind van de eeuw bleef 80 procent van de Nederlanders tegen uitbreiding van kernenergie.

Maar het tij verandert. De angst voor klimaatverandering door onbeperkte inzet van fossiele brandstof is niet te sussen en de CO2-uitstoot blijkt nauwelijks te beheersen. De olieprijs is tot ongekende hoogte gestegen en voor aardgas raakt Europa steeds meer op Rusland aangewezen. Daar staat tegenover dat zich al twintig jaar geen ernstig ongeluk met kernergie heeft voorgedaan. Zó onveilig kunnen de bestaande reactoren dus niet zijn. Bovendien worden nieuwe reactortypen aangeboden die nog veiliger en bovendien nog economischer zouden zijn.

opmerkelijk rapport

Zou Nederland er dus verstandig aan doen nieuwe kerncentrales bij te plaatsen? Bijna drie jaar geleden heeft een groep deskundigen van het Massachusetts Institute of Technology (MIT), aangevoerd door John Deutch en Ernest Moniz, zich diezelfde vraag gesteld voor de VS en de rest van de wereld. In de VS zijn al sinds 1978 geen nieuwe centrales meer besteld omdat 60 procent van de Amerikanen na 'Harrisburg' tegen uitbreiding bleef. In het verslag 'The future of nuclear power' (zie web.mit.edu) passeren alle voors en tegens de revue. Het is een opmerkelijk rapport waarin niet alleen helder wordt geanalyseerd maar ook resoluut knopen worden doorgehakt. Met verrassende uitkomst.

Leidende gedachte is dat de plaatsing van kerncentrales een grote bijdrage kan leveren aan de intoming van het broeikaseffect en ook een belangrijke rol kan spelen in de verschaffing van energiezekerheid. Daaraan is grote behoefte: er is niet alleen de druk van het OPEC-kartel, ook bij de levering van aardgas kan men uit steeds minder landen kiezen. Gelukkig is er, wàt de opposanten ook mogen beweren, genoeg uranium beschikbaar om het thans opgestelde nucleaire vermogen uit te breiden met circa duizend reactoren van 1000 MW en die een halve eeuw in bedrijf te houden. Dat is het globale scenario waarmee de MIT-studie rekent: ruwweg een verdrievoudiging van het nu opgestelde vermogen in 2050.

Helemaal vergelijkbaar is de situatie tussen Amerika en Europa niet. In Nederland en omstreken wordt door milieuorganisaties veel actiever campagne tegen kernenergie gevoerd dan in de VS. Ook zijn er in de VS, anders dan bijvoorbeeld in Nederland en Duitsland, geen partijen die menen in principe tegen kernenergie te moeten zijn. Waarom dat hier wel zo is en waarom het juist linkse partijen zijn, begrijpen de Amerikanen niet goed.

Een andere punt van verschil dat tezijnertijd de doorslag kan geven, is dat de VS zich niet hebben aangesloten bij het Kyoto-protocol en dat daar dus voorlopig geen heffingen of andere belastingen op CO2-uitstoot komen. Daardoor zal in de VS voor lange tijd een economische prikkel ontbreken om op kernenerie over te gaan. Want, concludeert de MIT-studie zonder omhaal, een kilowattuur stroom van moderne kerncentrales is voorlopig aanmerkelijk duurder dan een kWh stroom van een gas- of kolencentrale, dat scheelt wel 40 tot 50 procent. Veel ruimte is vrijgemaakt om deze verrassende conclusie te onderbouwen. Volgens het MIT zijn bouw, bedrijf en onderhoud van de moderne kerncentrales (derde generatie) veel duurder dan men zich realiseert. Zonder staatssteun zullen investeerders niet snel een initiatief nemen om kerncentrales te plaatsen.

Het MIT is heel stellig in dit oordeel en maakt dan ook korte metten met het recente Finse besluit om een EPR-kerncentrale (zie kader) te laten bouwen. Het Finse elektriciteitsbedrijf dat hem plaatst is een non-profitbedrijf dat stroom tegen kostprijs levert en geen winstmarge behoeft, noteren de onderzoekers. In de economische vergelijking met gas-, kolen- en turfcentrales zijn de kosten en prestaties van de EPR geflatteerd.

60 jaar stroom

Maar de Franse reactorbouwer Framatome, dat de centrale met Siemens ontwikkelde, houdt in zijn brochures vol dat EPR-atoomstroom wel degelijk met kolenstroom concurreren kan. De Fransen gaan ervan uit dat de centrale 60 jaar stroom zal leveren (het MIT rekent met 40 jaar) en al die tijd voor 91 procent van de tijd beschikbaar zal zijn, de rest gaat op aan splijtstofwisseling en onderhoud. (MIT gaat uit van 85 procent). In ieder geval heeft het Franse staatsbedrijf EdF óók een EPR besteld. Maar dat bewijst niets, meent het MIT. EdF beweegt zich in een 'non-market situation' en de manier waarop er kosten in rekening worden gebracht is 'niet transparant'.

Afgezien van de kosten zijn er altijd drie klassieke bedenkingen bij de aanschaf van nieuwe kerncentrales: de veiligheid, het afval en het gevaar van proliferatie. Met een allereenvoudigste rekensom komt de MIT-studie tot de conclusie dat de veiligheid van het merendeel van de bestaande Amerikaanse reactoren een factor tien tekort schiet. Voor de meeste van die reactoren is (in een uitputtende, minutieuze kansbereking) berekend dat de kans op forse schade aan de reactorkern er 10-4 per jaar is (1 incident per 10.000 jaar). Als er 1000 reactoren bijkomen met een zelfde faalkans zullen zich vóór 2050 volgens Bartjens vier ernstige ongelukken hebben voorgedaan. Dat zou het publiek vertrouwen in kernenergie verwoesten, stellen de onderzoekers. Daarbij valt te bedenken dat een kernongeluk aan de ene kant van de aardbol de acceptatie van kernenergie aan de andere kant voor decennia kan tegenhouden. De faalkans moet terug naar 10-5 per reactorjaar (1 incident per 100.000 jaar), dat is ongeveer wat voor de nieuwe (derde) generatie van geavanceerde lichtwaterreactoren wordt opgegeven (zie kader). Of die waarde reëel is staat te bezien, de MIT-groep noemt haar 'aannemelijk'. Zij gaat er daarom vanuit dat de 1000 nieuwe reactoren uit deze groep gerecruteerd zullen worden, hoewel zij zich ook opvallend gecharmeerd toont van de veiligheid (en andere voordelen) van de hoge-temperatuur-gasgekoelde reactor (HTGR) die in Nederland bekend staat als de 'pebble-bed reactor'.

Maar dan opeens komt de MIT-studie met een overwachte draai. Dat er voldoende veilige reactoren beschikbaar zijn betekent niet dat veilige toepassing van kernenergie gegarandeerd is. Er is nog maar weinig aandacht geweest voor de veiligheid van de complete splijtstofcyclus, die loopt van het verrijken van uranium en de fabricage van splijtstofstaven tot en met het terugwinnen van uranium en plutonium uit oude splijtstof (het 'opwerken'). Van opwerkingsfabrieken staat wel vast dat zij heel gevaarlijk zijn. Er zijn explosies geweest in de Russische opwerkingsfabrieken van Tsjeljabinsk en Tomsk, bij Hanford in de VS kwam zware lekkage voor en bij het Britse Sellafield (Windscale) aan de Ierse Zee werd afval geloosd. In de VS heeft president Carter in 1977 een eind gemaakt aan het commerciële opwerken en de MIT-groep staat daar volkomen achter. Wij zien de noodzaak van opwerking helemaal niet in.'

Waarom niet? Omdat de groep mordicus tegen hergebruik of zuivering van opgebrande splijtstof is. Als dat verspilling van grondstoffen betekent, als het betekent dat kernenergie dus met geen mogelijkheid 'duurzaam' genoemd kan worden, dan moet dat maar. Geen gedonder met de opgebrande splijtstof, is het devies. Dat uitgesproken standpunt houdt direct verband met de grote angst voor nucleaire proliferatie, de vrees dat kwaadwilligen zich meester maken van uranium of plutonium voor kernwapens.

Het staat vast dat terroristen alles in het werk stellen om aan dat materiaal te komen, noteert het rapport, en zo lang er wordt opgewerkt worden hun kansen almaar groter. Het rekent voor hoeveel plutonium er wereldwijd inmiddels al geproduceerd is en hoeveel bommen daarvan zijn te maken. Nergens is dat plutonium beter beschermd tegen Al Qaida dan midden tussen de hoog-radioactieve splijtingsproducten als strontium, cesium, enz. Láát het binnen die omgeving, is het dringend advies, want non-proliferatie moet de hoogste prioriteit hebben.

peperduur

Zo komt de MIT-groep ook tot het standpunt dat terugwinning van plutonium om er later, met uranium, de mengsplijtstof MOX van te maken (in Europa en Japan een favoriete bezigheid) met klem moet worden ontraden. Het is ook nog peperduur. De bouw van snelle reactoren, speciaal ingericht voor verbranding van plutonium, en van snelle kweekreactoren (die extra plutonium produceren) is voorlopig al net zo zeer uit den boze, ook al heeft dat het voordeel dat zuiniger met uranium wordt omgesprongen en dat er minder afval overblijft. De enige vorm van uraniumgebruik die de groep onder de huidige omstandigheden acceptabel acht is éénmalig gebruik, wat zij de 'once through fuel cycle' of 'open fuel cycle' noemt. Die is ook verreweg het goedkoopst. Het betekent dat van het van nature beschikbare uranium nog niet één procent wordt gebruikt. Dat getal is mondjesmaat te verbeteren worden door het uranium wat verder te verrijken dan nu gangbaar is en ook langer in de reactor te houden (hoge 'burn up'). Maar het beeld van uranium als onuitputtelijke energiebron is van de baan. Overigens, dat er - zoals wel beweerd wordt - nog maar voor 25 jaar uranium is om aan de huidige vraag te voldoen is ook flauwekul. Dat getal slaat op de hoeveelheid uranium uit bewezen, bemonsterde voorkomens dat goedkoop (minder dan 40 dollar per kilo) te winnen is. Op den duur is een veelvoud van die hoeveelheid beschikbaar.

opwerking

De vrees voor proliferatie heeft ook consequenties voor de wijze waarop met het afval van de centrales wordt omgesprongen. Het MIT moet schoorvoetend toegeven dat nog nergens op aarde een definitieve oplossing is gevonden voor de eindberging van hoogactief afval maar tilt daar kennelijk niet al te zwaar aan: komt tijd komt raad. Belangrijk is dat de groep niets wil weten van een scheiding in kort- en langlevend radioactief afval (om zo het volume van het materiaal dat de grond in moet wat te verkleinen). Voor dit proces is men aangewezen op opwerking en opwerking moet koste wat kost vermeden worden. Hetzelfde betoog wordt gehouden voor de actinidenverbranding: het voorstel om de langstlevende radioactieve afvalproducten uit het afval (zoals americium en neptunium) te isoleren en in snelle reactoren te verbranden. Niet doen, vinden John Deutch en Ernest Moniz c.s.

Dat is de treurige toestand waarin de wereld is terechtgekomen: het broeikaseffect heeft de inzet van kernenergie wenselijker dan ooit gemaakt. Maar het internationale terrorisme dwingt de overheden het uranium op de meest verspillende wijze te laten verbruiken. En door de - begrijpelijke - roep om extra veiligheid zijn de kerncentrales en hun 'atoomstroom' zo duur geworden dat ze niet zonder subsidie of stimuleringsmaatregelen geplaatst zullen worden. Heeft de vrije markt het laatste woord, dan zullen elektriciteitsbedrijven de oude reactoren zo lang mogelijk in bedrijf houden.