Een meesterwerk in het schemerdonker

Sinds ik me in Boedapest heb gevestigd ben ik een soort onbezoldigd cultureel ambassadeur der Nederlanden geworden, of loopjongen van het koninkrijk. Enkele weken geleden werd ik gebeld door een meneer die zó geaffecteerd sprak dat ik er een beetje van schrok. Je kunt er blind op varen dat op het moment dat iemand belt die deftiger spreekt dan de koningin je kinderen elkaar nét de hersenen inslaan en de boel bijelkaar schreeuwen alsof je in een achterstandswijk van Oss woont.

De meneer bleek voor Museum van Loon in de weer, ving ik op tussen het helse gegil van mijn schatjes door, met een tentoonstelling over de Nederlandse portretten van de Hongaarse schilder Philip de László (1869-1937). Hij was een schilderij op het spoor dat zich waarschijnlijk in Boedapest bij een oude barones bevond. Of ik bereid was daar een kijkje te nemen. Ik kan slecht nee zeggen - mede daarom verschijnen er zo zelden imposante trilogieën van mijn hand. (Ik ben bevriend met een Hongaarse ex-profvoetballer, hij is de broer van de in de metaforen verdrinkende schrijver Péter Esterházy, en die mag hij overdag niet eens bellen! Z'n eigen broer!)

Samen met Ilona - mijn Hongaars is nog altijd maar net iets beter dan mijn Vietnamees - toog ik op een zonnige zondagmiddag naar de oude dame. Aan de telefoon was gebleken dat ze een goede vriendin van Ilona's Hongaarse grootmoeder was geweest. Ze woonde op de heuvel aan de Boeda-zijde van de stad, niet ver van Moskva-tér. In een wijk die eens de bevoorrechten toebehoorde, daalden we op zoek naar het huis een meters brede trap onder oude kastanjes af.

Het adres van de oude dame was dat van een vervallen stadsvilla. Bij de ingang, aan het jugendstil smeedijzeren hek zaten acht naambordjes. Naast de ingang waren acht brievenbussen bovenop elkaar geknutseld, als een haastig in elkaar geflanste torenflat voor cavia's. Bij de originele voordeur waren vele bellen, de bedrading liep over de afbrokkelende buitenmuur naar verschillende uithoeken van het gebouw. Lager gelegen was de oude personeelsingang. Bij die deur bevond zich het naamplaatje van de baron en barones.

We werden binnengelaten. De gang was donker, zoals bij de meeste Hongaren werd er op stroom bespaard. De mevrouw was oud en ziek. Haar man was wel te pas. Ze waren hartelijk en lief. Over de bank lag een oude deken. Boven de bank hing het portret van De László. De bescheiden kamer werd beheerst door het reusachtige schilderij. Een lijst ontbrak.

Het kinderportret van de wereldberoemde Philip Alexius de László was van de moeder van de oude mevrouw. De meisjesnaam van die moeder was Janssen, een van de Hollandse families die in korte tijd een krankzinnig vermogen hadden gemaakt met de Deli-maatschappij. Het geportretteerde meisje, Louise Janssen, was jaren later verliefd geworden op een Hongaarse diplomaat en zo kwam het dat onze mevrouw in Hongarije was geboren en getogen. Na de oorlog en de komst van de Russen en het communisme had haar man naar het vrije Westen willen vluchten maar zij had dat geweigerd vanwege de kinderen.

Het portret was een beetje donker, net als de kamer, maar prachtig. Een onbezorgd meisje met weelderige krullen. Het meisje moet een jaar of dertien geweest zijn, ze leunde zelfbewust in de bank met de rode bekleding, haar rug recht en haar kin hoog, de opvoeding en het rotsvaste vertrouwen van de betere klasse verradend. Ze had een witte jurk aan, die gedeeltelijk naast haar op de bank gedrapeerd lag. Om haar hals een dun rood kettinkje. Ongenaakbaar. Het leek zonnestelsels verwijderd van dit uitgewoonde appartement.

Bij bombardementen en hevige gevechten in Boedapest in de Tweede Wereldoorlog was al het familiebezit verloren gegaan. Ook was de lijst om het schilderij toen gesneuveld (De László ontwierp vrijwel altijd zelf de lijst, welke hij als een onlosmakelijk deel van zijn werk beschouwde). De meneer van het museum had gevraagd of we wilden polsen of het schilderij naar de tentoonstelling in Amsterdam kon komen. De oude mevrouw weigerde dit, zachtjes, zwaar ademend, pertinent.

Vlak voor ons vertrek liet haar echtgenoot foto's zien van hun vroegere buiten op het Hongaarse platteland, een barok paleis omringd door oude bomen. Het was na de oorlog onteigend. Nu was het in handen gevallen van een Hongaarse nouveau riche die het spetterend Febo-geel had geschilderd en er een ridicule naam aan had gegeven. Het portret van De László, hofschilder van koningen en keizers, was het enige dat herinnerde aan alles wat ooit geweest was.

We drongen niet aan, het was duidelijk: dit meisje Janssen kwam niet terug naar Nederland, ook niet voor eventjes. Het was té dierbaar.

Ilona en ik bedankten en trokken de voordeur zachtjes achter ons dicht. We beklommen de brede trap onder de kastanjes zwijgend. In ieder opzicht waren de twee oude mensen ons na, tegelijk waren ze door de geschiedenis, die verwoestend over dit deel van Europa is geraasd, onoverbrugbaar van ons verwijderd.

Iedereen die naar Museum van Loon gaat om de verzameling Nederlandse portretten van de halverwege zijn leven in de adelstand verheven, Hongaarse charmeur Philip de László, te zien, weet nu dat er in Boedapest in een versleten appartement in een onverlichte kamer bij een zieke oude mevrouw een bloedstollend mooi portret hangt van een 13-jarig Hollands meisje met een dun rood kettinkje om haar hals.

jaap@scholten.hu (volgende keer: De therapeutische werking van Roemeense zigeuners 4)