Zo'n glibber ben ik niet

Het is inmiddels zó bekend dat het niet lang meer zal duren of het feitje krijgt een plaats in Trivial Pursuit: Bret Easton Ellis ontleende de titel van zijn fameuze romandebuut Less Than Zero (1985) aan de gelijknamige track op Elvis Costello's debuut-album My Aim Is True (1977). Het grote verschil in levensgevoel tussen liedje en roman blijft bij dit feit opmerkelijk genoeg vrijwel altijd onvermeld. Costello's “Less Than Zero' is een sarcastisch kleinood, met een bijtende tekst - maar de muziek plingplongt intussen misleidend vrolijk.

Elvis Costello Alison

Daar was Costello vroeger heel goed in. “Accidents Will Happen' bijvoorbeeld, van Costello's derde album Armed Forces (1979), is op het eerste gehoor een buitengewoon opgeruimd nummer. Omdat het liedje in de vijfde versnelling is gezet, ontstaat die wrijving tussen upbeat muziek en gitzwarte tekst. Costello's “Less Than Zero' is een illusieloos miniatuur over ontrouw en opportunisme. De angry young man die Costello toen was richtte zijn woede op hypocrisie in soorten en maten: die van de praatjesmakers, de liefdeloze hufters, de lepe zakenjongens en de verspreiders van Wichtigmacherei. Noodkreet van Costello: is er dan niemand die deze mensensoort doorziet? Op My Aim Is True en ook op zijn tweede album This Year's Model spuugt hij zijn teksten uit met een woede die hem soms de keel bijna lijkt af te knijpen.

In Less than Zero, de roman, zijn de personages iedere vorm van verontwaardiging al heel lang voorbij. Ze zijn te afgestompt, verveeld en geblaseerd geraakt om nog woede te ervaren. De zekerheid dat alles minder is dan niks verleidt de romanfiguren van Bret Easton Ellis ertoe zich dan ook maar voor “niks' in te zetten, met uitzondering misschien van de gang naar de coke-dealer. Dat soort geblaseerd geraakt nihilisme vind je niet terug in Costello's songteksten. Boek en popsong zijn door dit verschil bepaald niet compatibel.

Eén jaar voor Ellis' romandebuut verscheen van Jay McInerney Bright Lights, Big City, dat andere debuut dat in die jaren sterk de aandacht trok doordat er een hoofdfiguur in voorkwam die, meer wel dan niet gedrogeerd, de strijd aanbond met de buitenwereld én zichzelf. McInerney was in zijn roman veel minder illusieloos dan Ellis, maar ondanks allerlei literaire verschillen worden de nihilist Ellis en en de romanticus McInerney nog altijd in éen adem genoemd. Zou het toeval zijn dat de hoofdfiguur van McInerneys derde roman, Story Of My Life (1988), Alison heet? Ah, Alison! Zo heet ook het meisje dat door Costello wordt bezongen in het gelijknamige nummer op, alweer, het album My Aim Is True. De Alison in dat liedje heeft veel bewonderaars maar lijdt ook aan het leven, te horen aan de schurende tekst van Costello. Alison is misschien wel te broos voor deze wereld. “I know this world is killing you,' zingt Costello over haar. Vanuit de verte bewondert de ikfiguur het wondermeisje Alison. Maar hij is anders dan al die hypocriete womanizers die om haar gunsten dingen: “I'm not gonna be too sentimental, like those other sticky valentines'. De tragiek is natuurlijk dat Alison op haar beurt juist met het verkeerde type in zee gaat, de minnezanger in mineur achterlatend.

McInerney voerde in Story Of My Life precies zo'n meisje op dat er talent voor lijkt te hebben achter de foute mannen aan te lopen. De flaptekst van Story Of My Life meldt dat Alison een “echt postmodern meisje' is. Er werd in die tijd, eind jaren tachtig, vermoedelijk mee bedoeld dat iemand als Alison opgeruimd en volhardend haar verslavingen cultiveerde. Alison is in McInerney's satire tenminste verslaafd aan de laatste mode, aan pochzieke mannen, aan uitgaan, aan cocaïne, en niet te vergeten aan zorgeloze zelfpromotie. Zo bezien was Alison een pre-Sex and the City-meisje: iemand die heel gelukkig had kunnen zijn als ze maar oog had gehad voor die ene man die écht van haar hield - precies zoals in de gelijknamige Costello-song.

Tegen het einde van de roman laat Alison zich opnemen in een ontwenningskliniek en erkent ze voor zichzelf dat ze vluchtige genoegens heeft nagejaagd - een mierzoet einde, waardoor de roman op de valreep de indruk achterlaat van een als roman vermomd CDA-pamflet. Voordat die moraal om de hoek komt piepen valt er gelukkig vrij veel te lachen - McInerney is natuurlijk niet de eerste de beste satiricus. Maar toch. Het ontbreekt Story Of My Life aan de gekweldheid en ontheemding die zijn debuut Bright Lights, Big City zo verrassend maakten. Intussen doet Costello's “Alison' ook na bijna dertig jaar nog steeds een succesvolle aanval op het middenrif. De Alison uit Costello's evergreen blijkt een nog altijd messcherp afgetekend personage terwijl de Alison uit McInerneys satire door de tijd én door de vele soapseries lijkt te zijn ingehaald.

Jay McInerney: Story of My Life (Vintage Books, euro 12,-). “Alison' is te vinden op “My Aim Is True' van Elvis Costello (Rykodisc).