Ziekte die soelaas brengt

We zitten in het café. Ik (32), mijn goede vriend Piotr (42) en de schrijver Józef Hen (83). We drinken thee, maar daar eindigt de harmonie. Zelfs over de serveerster verschillen de meningen.

Joodse grafsteen, Hebreeuws grafschrift

Piotr wil praten over Hen, zijn favoriete auteur, van wie hij een groot kenner is, groter dan Hen zelf. Hen wil praten over een nieuw manuscript dat hij zojuist heeft afgerond. En ik, de Nederlander in de groep, ik wil praten over datgene waar alle Nederlanders over willen praten: het antisemitisme in Polen. Drie zielen, drie agenda's. Het gesprek gaat alle kanten op, maar uiteindelijk komt ook “mijn' onderwerp aan de beurt.

Zijn de Polen antisemitisch? Het is de eerste vraag die Nederlanders stellen als ze in Warschau landen, soms nog voordat ze ook maar iets van Polen hebben gezien of ook maar een Pool hebben ontmoet. En het is de vraag die ik vandaag, namens alle Nederlanders, stel aan Józef Hen, een van de laatste grote schrijvers van zijn generatie én van joodse afkomst. Zijn oeuvre telt zo'n veertig titels.

Het Poolse antisemitisme is een enigma. Tijdens de laatste presidentsverkiezingen stemde bijna niemand op Leszek Bubel, een open antisemiet. Tegelijkertijd is de nieuwe, vier maanden oude conservatieve regering nauw verbonden met de ultra-katholieke zender Radio Maryja, een platform voor antisemieten. Polen werd bekend als het land waar na de oorlog pogroms werden gehouden, maar volgens de statistieken werden hier tijdens de oorlog relatief veel meer joden gered dan in Nederland, onder omstandigheden die vele malen zwaarder waren. De tegenstrijdigheden zijn overdonderend. Ik zoek antwoorden, meneer Hen.

“Zonder joden is het saai“, zegt de schrijver. “Dat is een uitspraak van Czeslaw Milosz. De Polen hebben joden nodig als verklaring voor hun problemen, maar omdat er vrijwel geen joden meer zijn, worden ze bedacht. De jood is niet de vijand, maar vijanden worden joden, ook als ze dat helemaal niet zijn. Het is een ziekte die de zieke soelaas brengt. Het is, zoals wel wordt gezegd, antisemitisme zonder joden. En ik zou daar aan willen toevoegen: antisemitisme zonder antisemieten. Niemand zal toegeven dat hij antisemiet is.“

Hen praat niet graag over het onderwerp, merk ik al snel. Hij wordt liever niet getypeerd als een Pools-joodse schrijver. Hij schrijft bijna nooit over “typisch' joodse onderwerpen. In 1991 kwam bij wijze van hoge uitzondering Nowolipie uit, een (prachtig) autobiografisch boek over het vooroorlogse leven in de joodse wijk van Warschau. Maar zijn meest recente boek was een biografische roman over Stanislaw August (1732-1798), de laatste koning van Polen. Ik dring aan.

“Het Duitse antisemitisme was veel gevaarlijker. Het Poolse is een beetje spontaan. Het stoelt op onwetendheid, het is ongeorganiseerd, het is gebral na een glaasje wodka. Fanatieke antisemieten zijn in de minderheid en ze maken zichzelf belachelijk. Maar het is een belangrijk probleem, dat moet worden opgelost. Want met kwade wil kan eenvoudig worden ingespeeld op het idee dat joden overal achter zitten, een idee waar mensen nog steeds voor open staan. Bovendien heeft het tot vreselijke dingen geleid, zoals de pogroms.“

“De mens is nog maar kort geleden uit de boom geklommen. Ikzelf heb niemand nodig om mijn haat op te projecteren, maar sommige mensen hebben die behoefte wel. In een samenleving die geen traditie heeft van antisemitisme kan een jood ook een Turk zijn. Het is kennelijk bevredigend als je iemand kan haten. Overigens is er een nieuwe, goed opgeleide generatie Polen die bepaald niet achterlijk is. Maar helaas vluchten veel van die jongeren naar het buitenland. Als die trend doorzet, blijven straks alleen nog maar domme mensen achter.“

Waarom schrijft Hen hier niet meer over? “Het is mijn zaak niet. Het is een probleem voor de Polen, niet voor de joden. De Polen moeten hierover met zichzelf in het reine komen. Poolse jongeren vragen mij vaak of de Polen antisemitisch zijn. Ik antwoord dan: wat denk jíj? Meestal worden ze dan knalrood.“

Het gesprek is voorbij. Hen moet naar huis. Het is etenstijd. Ik heb antwoorden, maar voor mijn gevoel niet dé antwoorden. Heeft Hen wel het achterste van zijn tong laten zien? Waarom zegt hij dat het zijn zaak niet is? Is hij bang om zijn nek uit te steken? Of weet hij het gewoon niet?

De schrijver pakt een boek uit een plastic tasje, Ik, Michel de Montaigne, zijn boek uit 1978 in een recente heruitgave. Hij klapt het open en schrijft op het voorblad: “Voor Stéphane Alonso, die in mijn ziel wil doordringen (maar het zal hem waarschijnlijk niet lukken, want het is mij ook niet gelukt).“

Met dank aan Piotr Perczynski

    • Stéphane Alonso