Zang doet leven

De Duitse schrijver Novalis (pseudoniem van Friedrich von Hardenberg, 1772-1801) heeft De Genius van de zang als een muzikale partituur geschreven. Het sprookje vertelt het verhaal van de koning van Atlantis, zijn dochter en een dichter.

Oorspronkelijk vormt De genius van de zang een onderdeel van Novalis' roman Heinrich von Ofterdingen, die de ontwikkeling van een jongeling tot dichter toont. In deze als symfonie gestructureerde roman zijn verleden, heden en toekomst niet duidelijk van elkaar te scheiden; zij zijn opgebouwd uit dezelfde, terugkerende motieven. Toepasselijk verschijnt De genius van de zang nu in de prachtige oude uitgave van 1941 opnieuw bij de Wereldbibliotheek.

Het sprookje toont het wezen van de muziek, de “genius' van de zang, op verschillende manieren. De tekst is een strakke compositie van tegenstellingen als uiterlijkheid en innerlijkheid, mens en natuur, liefde en angst. De “zichtbare ziel van de heerlijke kunst' wordt door een beeldschone prinses vertegenwoordigd; daar is dus weinig menselijks aan. Voor haar vader betekent zij in de eerste plaats een herinnering aan zijn vroeg gestorven vrouw; muziek en dood zijn met elkaar verbonden. De hofdichters hebben het roemruchte koninklijke geslacht zo enthousiast bezongen dat de koning zichzelf en zijn dochter ver boven alle aardse stervelingen verheven acht. De “toverspiegel' van de kunst transformeert en isoleert hier.

Maar de muziek is ook als enige in staat om tegenstellingen op te heffen en de eenzaamheid weg te nemen. Op een dag gaat de prinses in het bos uit rijden en ontmoet ze een oude grijsaard met zijn zoon, die zich toeleggen op het bestuderen van de natuur. Ver van de pracht en praal van het hof staan zij symbool voor het innerlijke leven. De prinses en de zoon worden tot elkaar aangetrokken en in de synthese van hun liefde verdwijnt het woord; de verliefde jongeling is dan ook een deel van het verhaal sprakeloos. Alleen de dichterlijke zang kan de liefde een stem geven. Met behulp van de liefde groeit de jongeling in zijn dichtersrol en wordt de prinses moeder. Het leven wordt poëzie en de poëzie wordt leven.

Maar is de dichterlijke zang hier uitsluitend het instrument van een gecomponeerd “noodlot' of ook een middel voor de mens om zélf invloed uit te oefenen? Dergelijke vragen blijven onbeantwoord. Door de blikseminslag van de muziek kan je een gevoel van openbaring krijgen, een gevoel dat je iets wéét. Dat gevoel is echter even snel weer voorbij, laat Novalis zien, als een Atlantis dat altijd weer door de zee wordt verzwolgen.

Novalis: De genius van de zang. Ingeleid en vertaald uit het Duits door Dirk Coster, vertaling van de gedichten door P.C. Boutens. Illustraties en bandtekening door Thijs Mauve. Wereldbibliotheek, 32 blz. euro 14,90