Worst van half miljoen

De Mondriaan Stichting heeft een prijsvraag uitgeschreven voor musea. Het beste plan om meer allochtone bezoekers te trekken, krijgt een half miljoen euro. Nuttig of een poging musea tegen elkaar uit te spelen?

Wim van Krimpen, directeur van het Haags Gemeentemuseum, windt er geen doekjes om. “Ik doe mee voor het geld. Ik vind die hele prijs onzin, maar 500.000 euro is een te hoog bedrag om te laten liggen. Voor 50.000 euro had ik niet meegedaan.“

Je kunt hem een opportunist noemen - het kan hem niet schelen. “Aan de eindejaarsloterij doen de meeste mensen mee. Weet u waarom? Omdat de prijs dan het hoogst is.“ Daar vergelijkt hij de Stimuleringsprijs Culturele Diversiteit van de Mondriaan Stichting dan ook mee. Of, beter, met die andere tv-kraker, Idols. “Ik vind dit de ver-Idolisering van de musea.“

Waar gaat de ophef over? Eind vorig jaar maakte de Mondriaan Stichting, het stimuleringsfonds voor beeldende kunst en vormgeving en cultureel erfgoed, bekend een prijsvraag uit te schrijven onder musea voor moderne kunst in Nederland. De instelling die het beste plan verzint om meer allochtone bezoekers te trekken, krijgt een half miljoen euro. Dat is nodig, aldus de Mondriaan Stichting, “omdat aandacht voor onderwerpen, perspectieven of materiële uitingen van andere culturen nog geen gemeengoed is in Nederland“. Allochtonen gaan minder vaak dan autochtonen naar het museum. Zo bezocht 28 procent van de Surinamers en Antillianen en 23 procent van de Turken en Marokkanen in 2003 een museum. Onder Nederlanders was dit 38 procent, blijkt uit cijfers van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP).

De geringe deelname van allochtonen aan het gevestigde culturele leven werd een van de speerpunten van het beleid van staatssecretaris Medy van der Laan (Cultuur, D66 ). In haar plan “Bewaren om teweeg te brengen, een museale strategie', dat ze eind vorig jaar presenteerde, maande ze musea zich meer te bekommeren om de “nieuwe Nederlanders“, onder meer door zich toegankelijker en klantvriendelijker op te stellen. De prijsvraag van de Mondriaan Stichting vloeit daar ook uit voort - de stichting wordt immers volledig gefinancierd door het ministerie.

Mini-convent

Uiteindelijk reageerden acht musea op de prijsvraag. Het negende plan kwam van het zogenoemde mini-convent. Dit samenwerkingsverband van musea voor moderne kunst kwam na de Tweede Wereldoorlog tot stand en omvat inmiddels negen musea: het Van Abbemuseum, Museum Boijmans Van Beuningen, het Bonnefantenmuseum, het Centraal Museum, het Groninger Museum, het Haags Gemeentemuseum, Kroller Müller, De Pont en het Stedelijk Museum Amsterdam. Hun plan, waarvan de details noch moesten uitgewerkt, richtte zich voornamelijk op onderwijs en educatie. Het geld, een half miljoen euro, zou bij winst worden verdeeld onder de negen musea.

Ze hadden zich de moeite kunnen besparen. Deze week selecteerde de internationale, vierkoppige jury met daarin Salah Hassan, Rose Issa, Abelkader Benali en Kitty Zijlmans vijf potentiële winnaars (zie kaders), waaronder niet het mini-convent. Eind mei wordt de winnaar bekendgemaakt.

Het idee van de prijsvraag kreeg gemengde reacties. Zo meende een aantal museumdirecteuren dat de Mondriaan Stichting het probleem van het geringe bereik van musea te simpel voorstelt. Het probleem is, zeggen ze, eerder van sociaal-economische dan van etnisch-culturele aard. Want het gaat niet alleen om allochtonen. Mensen met een lage opleiding, allochtoon én autochtoon, mijden de musea, evenals jongeren.

“De instelling van één prijs is te simpel“, zegt directeur Kees van Twist van het Groninger Museum. Zijn collega Wim van Krimpen van het Haags Gemeentemuseum stelt het scherper: “Het probleem van laag opgeleiden die niet naar het museum komen, kunnen wij niet oplossen. Daar zijn wij ook niet voor. Bovendien, gaan ze in Marokko dan wel naar het museum?“

Er was meer kritiek. Zo zou de Mondriaan Stichting door er een competitie van te maken de musea tegen elkaar uitspelen. “Op deze manier worden musea gedwongen elkaar vliegen af te vangen. Het is een voorbeeld van verdeel-en-heers, en in zo'n cultuur wordt angst een raadgever“, zegt directeur Alexander van Grevestein van het Bonnefantenmuseum in Maastricht.

“Een prijsvraag is een ongelukkige keuze. Je moet dit niet in de competitiesfeer willen trekken. Het onderwerp is te serieus voor een wedstrijdje“, meent ook directeur Edwin Jacobs van het Museum Jan Cunen in Oss. En Van Krimpen zag vooral de lange arm van de staatssecretaris, Medy van der Laan. “Door middel van subsidies en subsidievoorwaarden probeert zij musea in een bepaalde richting te sturen. Dat tast onze vrijheid aan.“

De oplossing voor het probleem ligt volgens de directeuren ook niet bij de musea, maar bij het onderwijs. Van Twist: “Wij investeren veel in het lager beroepsonderwijs, met speciale programma's voor de leerlingen, en in de leraren. Maar veel musea hebben te weinig middelen om een goede begeleiding van docenten op te zetten.“

Van Krimpen: “Een cultureel bewustzijn wordt gevormd door opvoeding en onderwijs. Maar worden jongeren in het Laakkwartier cultureel opgevoed? Nee. Dus komt het op het kunstonderwijs neer. Maar dat stelt niets meer voor. Mijn dochters gaan een keer per jaar met school naar een museum, het Archeon. En geloof me, die zitten dan nog op een keurige school.“

De kritiek kwam aan bij de Mondriaan Stichting. Al hadden ze daar wel verwacht dat niet iedere museumdirecteur even enthousiast zou zijn. “Anders hadden de directeuren wel eerder iets ondernomen, en hadden wij geen prijsvraag hoeven uitschrijven“, zegt directeur Gitta Luiten. Maar de Mondriaan Stichting heeft volgens haar geen verkeerd uitgangspunt voor de prijsvraag gehanteerd. “Als het om museumbezoek gaat, bestaat de tegenstelling tussen sociaal zwakken en sociaal sterken al lang. De komst van allochtonen naar het museum, of juist niet, is een nieuwe ontwikkeling. Natuurlijk had ik liever gehad dat musea uit zichzelf op die ontwikkeling waren ingesprongen, maar dat zie ik tot nu toe nauwelijks.“

Ook de kritiek dat ze de musea tegen elkaar uitspeelt, wijst ze van de hand. “Het gaat mij niet om een prijsvraag. Het museum met het beste plan krijgt eenvoudig voldoende geld om zijn voornemen uit te voeren.“ En, zegt ze: “Normaliter verdelen we het geld over diverse musea. Daardoor besteden deze het geld vaak noodgedwongen aan kleinere projecten. Dat is deze keer anders.“

Tombola

Na alle kritiek zou je verwachten dat de boze musea niet meer aan de “tombola' wilden meedoen. Maar nadat de directeuren hun grieven hadden geuit, besloten ze toch deel te nemen. Alleen Edwin Jacobs van Museum Jan Cunen bleef bij zijn besluit. Op aandringen van zijn staf, erkent hij. “Zij hebben mij ervan overtuigd dat ik trouw moet blijven aan mijn opvattingen. Een museum moet zijn verantwoordelijkheid niet alleen dragen als er geld tegenover staat. Als je het ontbreken van een breed publiek in je zalen een belangrijk item vindt, dan maak je daarvoor geld op je begroting vrij. Dan valt er desnoods een catalogus uit of schuift er een tentoonstelling op.“

De andere directeuren waren minder principieel. Van Twist van het Groninger Museum besloot toch mee te werken aan het gezamenlijk plan van het mini-convent “omdat dat plan gericht is op educatie en bedoeld is om musea in de breedte te dienen“. Van Grevestein van het Bonnefanten Museum nam deel aan dat plan “omdat het competitie-element op deze manier is verdwenen“. En ja, het hoge bedrag speelde ook een belangrijke rol in hun afwegingen.

Van Krimpens Gemeentemuseum deed echter niet alleen mee aan het gezamenlijke plan (“uit solidariteit“) maar diende ook een eigen voorstel in. “We hebben de voorwaarden in het Engels vertaald en naar het kunstenaarscollectief Gelitin in Wenen gestuurd. Dat heeft een fantastisch plan gemaakt.“ Dat plan, met de naam Warm Worm of Tenderness, bestaat uit circa vijftienduizend mensen die een tien kilometer lange rij vormen. Deze mensen vallen steeds om, als dominostenen. De gevallenen kunnen zich na enige tijd weer vooraan in de rij melden. Zo moet een “worm van mensen' ontstaan, die zich tot buiten de grenzen van het museum, ja zelfs tot buiten de grenzen van Nederland, voort kronkelt. Ook dat voorstel haalde de topvijf dus niet.

Gitta Luiten moet wel lachen om de ommezwaai van de directeuren. Het geldbedrag is niet voor niets zo hoog. Ze wist dat, om de directeuren aan het denken te krijgen over een andere aanpak, ze hen een flinke worst moest voorhouden. “Het moest een bedrag zijn waar je toch over gaat nadenken.“ Ze roemt evenwel de gemeenschappelijke inspanning van de negen grote musea: “Het eerste plan waarin zij daadwerkelijk eens samenwerken.“

Toch heerste tussen de negen musea van het mini-convent grote onenigheid, vooral over het feit dat sommige directeuren naast het gemeenschappelijke plan ook een eigen plan indienden en zo alsnog de competitie aangaan. Het woord “verrader' valt nog net niet. Afvaller Van Grevestein heeft het wel over “dedain'.

En Edwin Jacobs' museum Jan Cunen heeft maar één woord over voor alle directeuren die alsnog voor het grote geld zijn gezwicht. “Bullshit.“