Speel ons lied nog eens, Sam

De Boekenweek heeft een karrenvracht literatuur over het thema, muziek, opgeleverd. Wat blijkt? De Nederlandse schrijvers hebben vooral de sluizen van hun eigen herinneringen opengezet.

Hoe schrijf je over muziek? Hoe vind je woorden voor die meest abstracte van alle kunsten, die zo goed in staat is het gemoed midscheeps te treffen? Bij de meeste beeldende kunst is er nog altijd een beeld, een voorstelling die je kunt beschrijven. Maar wat valt er te beschrijven aan een symfonie van Mozart, een étude van Chopin, een trompetsolo van Chet Baker? Het makkelijkst lijkt nog de popmuziek, omdat er vrijwel altijd bij gezongen wordt, er is dus tekst; maar daar is weer het probleem dat het liedje, als het goed is, zoveel méér uitdrukt dan de meestal schamele lyrics. Misschien zit hier des Pudels Kern: muziek gaat niet ergens over, muziek is er - gewoon, ben je geneigd toe te voegen, ware het niet dat er niets gewoons aan is, het is juist zo bijzonder als maar zijn kan.

Sinds de Romantiek hebben velen, schrijvers en dichters voorop, de neiging om muziek als de hoogste kunst te beschouwen, hoger nog dan literatuur. Waarom? Omdat in de muziek de vorm het minst wordt belast met inhoud en betekenis. Geen kunst zou zuiverder zijn dan de muziek. “All art constantly aspires towards the condition of music', luidt de locus classicus in The Renaissance (1873) van Walter Pater, Brits apostel van Art for Art's Sake. Kunst was op haar best, meende Pater, als zij een zaak werd van de “zuiverste perceptie', verlost van “haar verantwoordelijkheden jegens onderwerp of materiaal'. Intensiteit van ervaring, daar ging het om, en de muziek was er het best in. De literatuur kon daar alleen maar achteraan hollen, altijd net even te laat. “When the music is over it is gone in the air, you can never catch it again', las ik ooit op de hoes van een album van saxofonist Eric Dolphy.

In een Boekenweek die in het teken staat van muziek en literatuur kan dat uiteraard nooit genoeg zijn. Wat hebben de schrijvers dan gedaan met de muziek? Ze hebben er in elk geval een karrenvracht boeken over volgeschreven. Daaruit heb ik er een paar gelicht, en wat blijkt? Onze schrijvers hebben vooral de sluizen van hun eigen herinneringen opengezet: Wanneer hoorde ik dit liedje voor het eerst? Op wie was ik toen verliefd? Wat zei m'n vader ook alweer? Ik herinner mij dat ik ze in het Concertgebouw heb zien optreden, dat was toen nog heel gewoon. Ik kan het nog steeds niet met droge ogen aanhoren. Telkens als ik dit muziekstuk hoor, ben ik weer even in - jaartal of plaats naar believen in te vullen.

Geheimtaal

Het is een feest van de nostalgische herkenning geworden. Wie heeft er geen herinneringen die onlosmakelijk met muziek verbonden zijn? Maar eigen woorden voor wat die muziek nu is, nee, die ben ik niet veel tegengekomen. Misschien kan het ook niet, zonder in technische geheimtaal te vervallen.

Des te groter mijn bewondering voor wie het toch probeert. Voor Oscar van den Boogaard bijvoorbeeld. Het lukt hem weliswaar niet (“haperend, zinnen beginnend, niet afmakend, op een andere manier proberend, steeds anders en opnieuw'), maar met zijn ademloze proza levert hij beslist een overtuigende illustratie bij zijn stelling: “Mijn leven is muziek'. De speed waarvoor zoveel rockers de injectienaald moeten hanteren, lijkt bij hem van nature door de aderen te stromen. Ramsey Nasr kan er ook wat van. Bij hem lezen we over een vioolconcert: “Ik zag hoe een grote zwerm witte vogels, waarschijnlijk ganzen, omhoog rees en rond mij wervelde als een tornado'. Geert van Istendael, op zijn beurt, beperkt zich tot de klank van zijn piano, die hij vergelijkt met “een meisjesglimlach op een affiche voor absint'. Ook niet mis, al hoor ik er niets bij.

Van den Boogaard, Nasr en Van Istendael staan in Muziek in mijn leven, een titel die voor zichzelf spreekt. Wie er ook in staat is Jef Geeraerts, die na een concert van het festival Oude Muziek in Brugge getroffen werd door “een magisch gevoel omdat dankzij de muziek Brugge de aardstralen doet vibreren die de druïden er in de Keltische tijd met wichelroeden hebben gecapteerd'. Bied daar maar eens tegenop.

Bernlef maakt geen schijn van kans in zijn nuchtere, bescheiden bundel, jazzverhalen Hoe van de trap te vallen, maar bij hem komen we wel het meest curieuze instrument tegen: de neusfluit, “een eenvoudig rood geschilderd blikken voorwerpje, dat precies over de neus kon worden geschoven, zodat niet alleen de brug van je neus maar ook beide neusvleugels werden bedekt'. Helaas kunnen we op de bijgevoegde cd (waarop de schrijver met pianobegeleiding een van de teksten voordraagt) niet horen hoe het klinkt.

Dakraamvertelling

Veel schrijvers bespelen zelf een instrument of hebben dat gedaan, maar de enige professionele muzikant of liever zanger van het gezelschap is Thé Lau. In In de dakgoot haalt hij herinneringen op aan het muziekleven, aan de hand van een soort raamvertelling waarin we de beschonken zanger via de dakgoot van zijn Leuvense hotel zien bewegen naar de kamer van een celliste. Dat duurt erg lang, namelijk het hele boek, en Thé Lau mist het stilistisch vermogen (“De muziek communiceerde alles', “Anno nu is de gitaarsolo an sich hopeloos verouderd') om de lezer al die tijd te boeien met zijn weinig markante anekdotes. Onwillekeurig dwaalden mijn gedachten af naar de onsterfelijke eerste hit van Peter Koelewijn.

De andere - semi, dat is niet helemaal duidelijk, maar in elk geval ex - professionele muzikant is Adriaan Jaeggi, die in Tromboneliefde zijn naar eigen zeggen door iedereen bespotte liefde voor de trombone belijdt: “De smetteloze gladheid van de buizen, de spartaanse eenvoud van de S-vorm uitlopend in de uitdagende, sexy flare van de beker, het doet niet onder voor het erotisch geladen lijnenspel van een Lamborghini of een Angelina Jolie'. Als we vervolgens lezen dat sommigen steevast “in snikken' uitbarsten, wanneer hij zijn gedicht over muziekles voorleest, dan is duidelijk voor wie dit proza vol humoristische overdrijvingen bestemd is: voor de liefhebbers van Godfried Bomans.

Voor wie Jankende gitaren en gebroken accoorden van Chris Willemsen precies bestemd is, lijkt me evenmin een vraag: voor iedereen die, net als de auteur, jegens zijn idolen maar één houding kent, die van de onvoorwaardelijke adoratie. In deze “herinneringen van een concerthopper' klinkt de oprechte amateur, in alle betekenissen van het woord, iemand die telkens weer “zonder dralen' meezingt of neuriet, of het nu om Cliff Richard gaat, om The Kinks of om Donovan. De sterren zijn meestal al wat op leeftijd, zodat Willemsen een enkele keer zijn bril moet afzetten om de illusie in stand te houden. Alles onder het motto: “Crosby was zestig, maar voor mij was hij nog altijd dertig'.

Toch schrijft hij ook: “De melancholie neemt nu massaal bezit van het theater'. Bij Martin Bril gebeurt dat minder massaal, maar even makkelijk: een eenzame boom of een regenbuitje is doorgaans al genoeg. In Een plaats onder de zon komt er altijd muziek aan te pas. Jammer genoeg heeft Bril een paar maniertjes, die op den duur irriteren, zoals de gewoonte om alinea's te maken met één zin of zelfs één woord, en het frequente gebruik van stoplappen als “Ach ja', “Tja', “Enfin', “Kom er maar eens om'. Gelukkig staan daartussendoor vaak heel aardige zinnen. Over Grolloo bijvoorbeeld: “Het licht van de koplampen scheert even langs het borstbeeld van Muskee. Daarna staat hij er weer alleen voor'. En over de muziek, zij het niet die van Harry Muskee alias Cuby van Cuby & the Blizzards: “Zoals het koolzuur (of is het de kinine?) boven het glas danst als je de tonic net hebt ingeschonken, zo klinkt Bill Evans'. Ik heb geen idee wie Bill Evans is, maar ik kan hem al bijna horen.

Tot slot de twee meest serieuze auteurs over muziek, in beide gevallen popmuziek, waarvoor zij ook serieus een lans breken - en terecht - als een blijvende muzieksoort met eigen “klassieken': Joost Zwagerman en Jan Donkers. Ondanks de overlappingen heeft Zwagermans bundel Perfect Day van alle hier genoemde titels het minst van een gelegenheidsuitgave; het is gewoon zíjn boek over popmuziek, bestaande uit essays, recensies (niet van muziek, maar van boeken erover), interviews, columns en als toegift (“bonus track') een “remix' van fragmenten uit zijn roman Gimmick!.

Zwagerman vat zijn taak niet lichtvaardig op, hij heeft zijn huiswerk gedaan, al lukt het hem maar niet om het juiste beginjaar van dada in Zürich - 1916 - te pakken te krijgen. Doorwrochte stukken over Prince, Madonna, Elvis Costello, David Bowie en vele anderen zijn het resultaat. Het best vind ik hem in zijn columns, als chroniqueur van onze postmoderne media-wereld. Hij voelt zich er als een vis in het water en in een liedje van het Tilburgse bandje Krezip weet hij zowaar ook nog een vorm van “random trancendence' aan te treffen - wie het liedje kent, moet toegeven dat het niet slecht gevonden is.

Zwagerman doet soms denken aan het ijverigste jongetje van de klas, Jan Donkers daarentegen aan een oudere leraar die het (vooruit, voor deze keer dan) zijn leerlingen nog maar weer eens uitlegt. De inleiding bij zijn alfabetisch in lemmata geordende bundel Mijn muziek staat vol met hele en halve verontschuldigingen: “Ik ben gaan zitten schrijven, van lemma naar lemma, tot de deadline daar was'. Doodzonde eigenlijk, want Donkers weet er echt iets van, vaak uit eerste hand (in menig lemma haalt hij herinneringen op aan ontmoetingen met de sterren), en hij heeft er hart voor. Dat laatste blijkt telkens weer als hij in weerwil van de deadline op dreef raakt.

Helaas gebeurt dat niet altijd; sommige lemmata worden afgeraffeld, bij andere was er kennelijk meer tijd, zin en/of stof. Het is daardoor een onevenwichtig geheel geworden. Als ik de stemming in de inleiding juist peil, dan is het vast vergeefse moeite om Donkers te vragen er later, na de Boekenweek, nog eens goed voor te gaan zitten en dan het definitieve boek over zijn muziek te schrijven. Wat hij nu heeft gebundeld is nuttig voorwerk, maar schreeuwt om voltooiing.

En dan komt ook mijn deadline in zicht. Om niet met een eigen nostalgische herinnering te besluiten, zet ik een cd op van de harcore-band van mijn zoon: binnen de kortste keren is de hele kamer gevuld met de dierbaarste herrie die ik ken.

Bernlef: Hoe van de trap te vallen. Jazzverhalen. Querido, 97 blz. euro 16,95

Adriaan Jaeggi: Tromboneliefde. Nieuw Amsterdam, 144 blz. euro 12,50

Chris Willemsen: Jankende gitaren en gebroken accoorden. Herinneringen van een concerthopper. BZZTôH, 189 blz. euro 14,50

Martin Bril: Een plek onder de zon. Muziekverhalen. Prometheus, 125 blz.euro 12,50

Joost Zwagerman: Perfect day en andere popverhalen. De Arbeiderspers, 364 blz. euro 18,50

Jan Donkers: Mijn muziek. Atlas, 255 blz. euro 19,90

Thé Lau: “In de dakgoot. Muziekverhalen in mono en zwart-wit' Rothschild & Bach, 125 blz. euro 12,50. “Muziek in mijn leven. Schrijvers over de inspirerende werking van klassieke muziek' Prometheus, 200 blz. euro 16,95.

Chris Willemsen: Jankende gitaren en gebroken accoorden. Herinneringen van een concerthopper. BZZTôH, 189 blz. € 14,50

Martin Bril: Een plek onder de zon. Muziekverhalen. Prometheus, 125 blz. € 12,50

Joost Zwagerman: Perfect day en andere popverhalen. De Arbeiderspers, 364 blz. € 18,50

Jan Donkers: Mijn muziek. Atlas, 255 blz. € 19,90

Thé Lau: "In de dakgoot. Muziekverhalen in mono en zwart-wit' Rothschild & Bach, 125 blz. € 12,50. "Muziek in mijn leven. Schrijvers over de inspirerende werking van klassieke muziek' Prometheus, 200 blz. € 16,95.

    • Arnold Heumakers