Hoe kwamen we hier op uit?

De meeste muziekhistorici barsten van de vooroordelen over “ hogere' en “lagere' cultuur. Zo niet Richard Crawford, die een overzicht van de Amerikaanse muziek schreef, van de koloniale tijd tot de minimalisten en van de indianen tot Bob Dylan.

Muziekliefhebbers zijn sectarisch. Ze laten zich, om redenen die veel met opvoeding en milieu te maken hebben, vrijwillig veroordelen tot een voorkeur die dikwijls andere genres uitsluit alsmede de openheid die een voorwaarde is voor het appreciëren van wat goed, origineel, grensverleggend is in die andere genres. Dit sectarisme (zelf heb ik altijd een voorkeur gehad voor de term genre-hygiëne) neemt tamelijk bizarre vormen aan. Want niet alleen zal men zelden een bezoeker van de pianistenserie in het Concertgebouw later in de week in Paradiso aantreffen, ook heeft elke act in Paradiso zijn eigen aanhang, die de avond erna nog niet dood aangetroffen wil worden in dezelfde poptempel. En dan hebben we het nog niet eens over de jazzliefhebbers gehad!

Dit is waarschijnlijk de achterliggende reden waarom Richard Crawfords caleidoscopische verhandeling over de Amerikaanse muziek en zijn geschiedenis zo'n uniek boek is. Er verschijnt jaarlijks een duizelingwekkende hoeveelheid, de hele wereld bestrijkende, literatuur over muzikanten, genres, stijlen en deelgebieden. Maar een boek dat alle muzikale vormen in de Amerikaanse geschiedenis behandelt op een schaal van gelijkheid bestond tot nu toe alleen van de hand van Gilbert Chase: America's Music, from the Pilgrims to the Present. En dat boek dateert van een halve eeuw geleden, dus vóór de explosie van de Amerikaanse populaire muziek de hele wereld zou bereiken.

Richard Crawford, docent aan de Universiteit van Ann Arbor en auteur van tien eerdere boeken over Amerikaanse muziek, heeft zich ten doel gesteld dat allemaal grondiger en bovendien geactualiseerd over te doen, en hij is er in geslaagd er een kleurrijke en fascinerende verhandeling van te maken. Dat is niet alleen te danken aan zijn heldere en elegante stijl maar ook aan zijn open benadering van alle mogelijke genres. Waar andere muziekhistorici, als ze zich al aan overschrijding van de grenzen waagden, doorgaans van een scheiding tussen “hogere' en “lagere' cultuur uitgingen', is Crawfords benadering vrij van vooroordelen - al schemeren zijn voorkeuren hier en daar onvermijdelijk door de tekst heen. Amerikaanse muziek is bij hem Amerikaanse muziek, of ze nu in de kerk of in een achterbuurtkroeg, door blanken, zwarten of indianen wordt gemaakt, of het zijn oorsprong herleidt tot Europa of Afrika of weer ergens anders.

Wel onderscheidt hij drie categorieën, namelijk klassieke, populaire en volksmuziek, een indeling die wat hem betreft minder te maken heeft met culturele hiërarchie of kwaliteit dan met de mate van notatie. De basispremissen van zijn boek zijn dat, allereerst “de muziek in Amerika zich heeft ontwikkeld door een onderlinge uitwisseling van deze drie sferen' en vervolgens dat de nadruk op performance (in de zin van uitvoering, vertolking) meer dan op compositie het onderscheidende element is in die Amerikaanse muziek.

Hij trekt die premissen behoorlijk overtuigend over de honderden pagina's van zijn geschiedschrijving heen, van de vroegste beschrijvingen van de geluiden die de oorspronkelijke bewoners van het continent maakten tot aan het werk van de “minimalisten' en hun uitvoerende ensembles. Hoewel hij concludeert dat er tot het moment dat de onafhankelijkheid op de Britten was bevochten nauwelijks iets oorspronkelijk Amerikaans was geschreven of uitgevoerd kost het Crawford bijna vijfhonderd pagina's om tot aan de 20ste eeuw te geraken. Maar dan weet de lezer ook veel meer over de al in de koloniale tijd woedende controverse tussen religieuze en profane muziek, over de minstrel shows, over het telkens weer oplevende oeuvre van Stephen Foster (auteur van onder andere “Old Folks At Home' en “Jeanie With The Light Brown Hair') en heel veel meer.

Maar de 20ste eeuw, dát was pas de Amerikaanse eeuw en daarmee onder veel meer de eeuw waarin Amerika zijn muzikale erfgoed met de gretig luisterende rest van de wereld begon te delen. Niets, zo vat Crawford samen, heeft de Amerikaanse muziek in die eeuw zo'n efficiënte betekenis gegeven als het Afro-Amerikaanse aandeel erin en “blanke Amerikanen hebben dikwijls zwarte muziekstijlen overgenomen zonder de culturele implicaties van die omhelzing aan de orde te stellen.' Het thema loopt als een dikke rode draad door de hoofdstukken over jazz, blues en rhythm & blues heen, de geleidelijke appreciatie en vervolgens adaptatie en commerciële exploitatie door blanken van zwarte muziek. Crawford vat hier de oude discussie op, die gevoed werd door LeRoi Jones' uitspraak dat “de blanke Euro-Amerikaanse hegemonie de Afro-Amerikanen van hun cultuur heeft beroofd.' Hij is verstandig en genuanceerd in zijn betoog, en zijn uitvoerige en zeer bewonderende behandeling van grootheden als Louis Armstrong en Duke Ellington is voor hem geen reden blanke jazz-vertolkers als Paul Whiteman en Bix Beiderbecke te negeren.

Crawfords academisch-neutrale aanpak sluit passie, althans in deze geschiedschrijving, zo ongeveer uit. Dat mag heel soms een gemis lijken maar uiteindelijk is zijn benadering ook juist daardoor superieur, en is hij door die opstelling in staat een prachtig hoofdstuk te schrijven over de Amerikaanse musical, een genre waarvan je zou denken dat het serieuze musicologen hoofdzakelijk tot gegeeuw zou inspireren.

Een fraai en kundig geschreven panorama kortom; als er toch wat aan te merken is op dit boek dan gaat dat over omissies waarvan de meeste, niet verwonderlijk in een verhandeling met een dergelijke historische diepte, betrekking hebben op de laatste decennia. Zo stipt Crawford het belang van de zwarte soul in de jaren zestig in samenhang met de Civil Rights-beweging wel aan, maar ten onrechte doet hij niet meer dan dat. In zijn behandeling van de populaire muziek na de opkomst van de Beatles (die hij terecht uitvoerig behandelt; het was weliswaar geen Amerikaanse band maar wel een die Amerikaanse muziek maakte en het Amerikaanse muziekleven doorslaggevend beïnvloedde) is hij sowieso nauwelijks origineel: de passages over Bob Dylan en Elvis Presley bijvoorbeeld zijn zonder veel toevoeging aan andere auteurs ontleend. En zo grondig als het belang van New Orleans en Chicago in de ontwikkeling van de jazz wordt behandeld, zo verwonderlijk afwezig zijn genoemde steden met betrekking tot de latere ontwikkeling van de blues en andere zwarte stijlen.

Wat Chicago betreft: een verhandeling over de ontwikkeling van de blues kan toch eigenlijk niet compleet zijn zonder het belang van blanke middlemen als de gebroeders Chess aan te wijzen, zeker in een boek dat claimt zo'n belang te hechten aan de historische omstandigheden waaronder de muziek ontstond. En tenslotte: waar Crawford zeer uitvoerig ingaat op de ontwikkeling van de folkbeweging in de jaren veertig en vijftig, op de rol van verzamelaars als John en Alan Lomax en op de verwevenheid van de folk met progressieve protestbewegingen, ziet hij de invloed van het werk van Harry Smith (weliswaar een verzamelaar van een heel ander type) op de folkies van de jaren vijftig en de pop van de jaren zestig geheel over het hoofd.

Maar zo zal iedereen die zich meer dan gemiddeld voor die laatste halve eeuw interesseert wel iets te mopperen hebben. Dat doet niet heel veel af aan de waarde van dit boek. How we got here from there is de vraag die Crawford zichzelf tijdens het schrijven bij voortduring stelde en zijn boek belicht de meerdere paden die naar dat “hier' leidden op niet alleen grondige maar ook dikwijls fascinerende wijze.

Richard Crawford: America's Musical Life. Norton, 859 blz. 15,99