Graag de stem en niet de lengte

In de documentaire Die Stimme (2002) van regisseur Michael Harder, omschreef de bariton Thomas Qasthoff zichzelf zó: “Eén meter drieënveertig lang, korte armen met zeven vingers, een grote, relatief welgevormde kop met uitgesproken lippen en bruine ogen. Beroep: zanger.“

Thomas Quasthoff FOTO: Kasskara Kasskara

Ook de autobiografie van Thomas Quasthoff heet Die Stimme, nu in het Nederlands vertaald als Mijn stem en opgeschreven door zijn broer. Want het gaat Quasthoff om zijn stem, om zijn zangkunst, niet om zijn korte armen en benen, het gevolg van de thalidomide (softenon) die zijn moeder in 1959 gebruikte tijdens haar zwangerschap. In de documentaire vertelde zijn moeder dat haar zoon eens thuis kwam en zei: ,,Muti, dat ik mensen ondanks mijn handicap in de ban kan krijgen, dàt geeft me een geluksgevoel.“

In een interview in NRC Handelsblad zei Thomas Quasthoff: “Mijn handicap is geen geheim, en zo heel vreselijk is het allemaal ook niet. Ik vind het afschuwelijk als mijn persoonlijke geschiedenis wordt afgeschilderd als de strijd van een dappere held tegen boze elementen. Op een gegeven moment moet het uit zijn met het praten over mijn lengte. Het geeft me het gevoel dat ik als kunstenaar maar half serieus wordt genomen. Neem musici als Itzhak Perlman of Jeffrey Tate. Spreekt er iemand ooit nog over hún fysieke tekortkomingen? Hun kunst heeft de rest irrelevant gemaakt.“

Goed, het hoort dus alleen nog te gaan om de kunst van Quasthoff. Hij is een van de grote zangers van deze tijd, een bariton met een even soepele als sonore stem, een kunstenaar met een enorme uitstraling. Al kan hij op zijn korte benen maar moeilijk lopen, op het podium van het Amsterdamse Concertgebouw neemt hij toch de trap. En zodra hij begint te zingen is ook het publiek dat hem voor het eerst ziet zijn handicap onmiddellijk vergeten. Zijn concentratie op het zingen is maximaal. Aan het slot van Schuberts Winterreise, na het laatste desolate lied Der Leiermann, bleef het in Amsterdam eens meer dan een volle minuut volledig stil. Het gaat bij Quasthoff inderdaad om zijn fascinerende kunstenaarschap en om zijn unieke stem.

Maar toch, in Mijn stem gaat het onvermijdelijk ook voortdurend om de fysieke problemen van Quasthoff. Op de achterflap zegt hij al : “Ik ben een van de tachtig miljoen gehandicapte Duitsers, maar bij mij zie je het meteen.“ Quasthoff legt uitvoerig het Softenon-drama uit. Hij beschrijft hoe het middel tegen zwangerschapsmisselijkheid in vele landen misvormingen veroorzaakte bij talloze baby's van zijn generatie. Hij ageert tegen de farmaceutische industrie die nog jaren later met succes lobbyde tegen wetswijzigingen die betere risicotests wilden invoeren. Hij signaleert corruptie bij Duitse politici. En hij constateert dat Softenon nog steeds in de Verenigde Staten en in Brazilië wordt gedistribueerd, zij het onder andere merknamen.

Maar Mijn stem is veel meer dan een aanklacht of een persoonlijke geschiedenis van een kind dat opgroeit onder moeilijke omstandigheden en zich leert te redden in de maatschappij, die hem vaak tegenwerkte. Quasthoff werd geweigerd op het conservatorium, studeerde enige jaren rechten en werkte op een bank. Daarna begon hij zijn stem te gebruiken, eerst als omroeper bij de radio, daarna als zanger.

Het bijzondere van Mijn stem is dat Quasthoff op levendige en vaak relativerende wijze zichzelf en zijn muzikale carrière beschrijft, met onthullend banale details over de gang van zaken in de vaak hooggestemde muziekwereld. Nog treffender is de manier waarop hij de rest van de wereld bekijkt. Zijn scherpe en geestige observaties, opmerkelijke anekdotes en niets en niemand ontziende commentaren, waarin hij ook zichzelf niet spaart, zijn ook voor niet muzikaal geïnteresseerden leesbaar en onderhoudend.

Zo maakt Quasthoff zich kwaad op incompetente maar inhalige impresario's en maakt hij zich vrolijk over recensenten, “die gewoon ook eieren bakken en soms zelfs hete lucht, maar meestal redelijk hun best doen.' Soms is hij in de buurt van de Groten der Aarde, voor wie hij bij een G8-top moet optreden en hoort hij beveiligers: “Potus and Wotus coming'. De persman van Gerhard Schroeder legt uit: “De Clintons komen eraan: President of the United States en Wife of the United States.“

Ontwapenend zijn de luchtige verslagen van zijn eerste optredens in opera's, als Don Fernando in Beethovens Fidelio in Salzburg en als de zieke en gekwelde Amfortas in een Weense uitvoering van Parsifal van Richard Wagner, tegen wie hij de gebruikelijke bezwaren heeft. Voor de première in Salzburg is de “little big man' zenuwachtig, maar hij wordt gerustgesteld door Simon Rattle: “Tommy, de repetitie was prachtig. Wees niet bang. Als er iets misgaat, wat dan nog. Dan geef je verder gewoon concerten.“

    • Kasper Jansen